Afbeelding

Lampje

Foto: Pixabay

Hoe maak je een goede metafoor? – 3 tips

Metaforen kunnen een prachtige manier zijn om beeldspraak in je verhaal te brengen en de lezer te grijpen. Toch is dit voor veel schrijvers een uitdaging, want je slaat net zo snel de plank mis. Hoe pak je dat nu aan, zo’n metafoor bedenken? 


Tip 1: Weet welke elementen een goede metafoor maken

Om een goede metafoor te schrijven, moet je natuurlijk eerst weten welke elementen een metafoor veranderen in een goede metafoor. We zetten de aandachtspunten op een rij:
•    Wees origineel. Dit is meteen ook het belangrijkste punt. ‘Haar zo wit als sneeuw’, dat is cliché en weinig lezers zullen achteraf zeggen dat dit de beste metafoor in het verhaal was. 
•    De lezer wordt geprikkeld. Een metafoor is pas echt geslaagd als de het de zintuigen van de lezer op een of andere manier prikkelt. Dat kan door een metafoor te gebruiken die dicht bij de belevingswereld van de gemiddelde lezer staat. Kortom: herkenbaarheid is belangrijk. Bijvoorbeeld: “Troosten was toen nog als inparkeren, het is meten en weten en toch schat je het vaak te krap in.” – Marieke Lucas Rijneveld in Kalfsvlees
•    Het past bij de belevingswereld van het personage. Het is leuk als de metafoor werkt voor de lezer, maar vraag je ook af of het personage deze metafoor zou gebruiken. Een metafoor over inparkeren werkt niet als je personage nog geen rijbewijs heeft of je verhaal zich afspeelt in de een middeleeuwse setting. 
•    Maar maak het niet te ingewikkeld. Als de lezer de metafoor drie keer moet lezen om het te snappen, dan sla je de plank mis. Ook wanneer de metafoor niet klopt omdat het een ander gevoel bij de lezer opwekt dan dat jij zou willen. 

Tip 2: Leer van de meesters 

Nu je weet wat een goede metafoor is, is het tijd om verhalen van bekende schrijvers onder de loep te nemen. Kom je een mooie metafoor tegen, vraag jezelf dan af wat ervoor zorgt dat de metafoor werkt. Schrijf er desnoods meerdere op van verschillende schrijvers om later conclusies te trekken. Alvast een voorbeeld om bij stil te staan:
“In de asbak lagen zes lipjes, als de schubben van een zeemeermin.” – Haruki Murakami in De olifant verdwijnt.

Tip 3: Bedenk wat je met de metafoor wil zeggen

Wanneer je zelf aan de slag gaat met metaforen, moet je nagaan wat je precies wil overbrengen. Welk gevoel moet de lezer krijgen? Welk beeld wil je schetsen? En als je een metafoor hebt opgeschreven: is het wel origineel en klopt het allemaal? Stel dat je iets wil zeggen over iemands haarkleur, dan wil je verder dan het cliché ‘Haar zo wit als sneeuw’. Stel: een oude vrouw heeft donzig haar, dan kan je spelen met een metafoor over een uitgebloeide paardenbloem. Je suggereert niet alleen de haarkleur (wit), de textuur (donzig), maar je kan ook de vergelijking trekken tussen de uitgebloeide bloem en het ouder worden. Op zo’n manier kan je spelen met je metafoor. 

Maar pas op!

Ga niet te lang knutselen aan een metafoor, de lezer merkt het als de metafoor te geforceerd is. Beter komen de metaforen in je op. Of dat meteen is of later tijdens het herschrijven, dat maakt niet uit. Veel succes!

Techniek

Service