Afbeelding

Het is lastig, al die keuze: geef je hun dat boek of bel je hen op? Zeg je zij zijn de taart vergeten of hun hebben de trein gemist? Wanneer je welke vorm gebruikt is een van de meest gemaakte taalfouten in Nederland. Deze uitleg en voorbeelden kunnen je hierbij helpen.
Na een voorzetsel. Voorzetsels zijn die woorden die je kunt invullen voor ‘de kast’ of ‘de vergadering’. Bijvoorbeeld: in de kast of tijdens de vergadering. Hen komt na zo’n voorzetsel.
Voorbeelden:
Als lijdend voorwerp. Het lijdend voorwerp is het antwoord op de vraag: wie/wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp? Bijvoorbeeld: wie schrijft dit boek?
Voorbeelden:
Als meewerkend voorwerp en als er geen voorzetsel achter staat. Het meewerkend voorwerp is het antwoord op de vraag: aan/voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp? Bijvoorbeeld: aan wie geef ik deze pen?
Voorbeelden:
Zodra er een voorzetsel voor staat verandert hun in hen.
Voorbeelden:
Als bezittelijk voornaamwoord in de derde persoon meervoud. Een bezittelijk voornaamwoord toont een bezit aan. Bijvoorbeeld: haar schrift.
Voorbeelden:
Kom je er nog steeds niet uit? In de meeste informele teksten kun je voor zowel hun als hen, ze gebruiken.
Hun en hen mogen nooit als onderwerp in de zin staan. In dat geval gebruik je zij of ze.
Voorbeeld: zij moesten de toets overdoen.
Bron: Onze Taal.
Meld je aan voor de Schrijven Nieuwsbrief.
Door ervaren, professionele redacteuren. Goed én betaalbaar!
Abonnees profiteren van extra voordelen.
Elk nummer een nieuw schrijfthema.
55% korting voor abonnees van Schrijven Magazine!