Afbeelding

Zo schrijf je het eerste hoofdstuk van je boek

Foto: Pexels

Zo schrijf je het eerste hoofdstuk van je boek

Het eerste hoofdstuk is misschien wel het belangrijkste onderdeel van je boek. Die pagina’s moeten namelijk interesse wekken bij een uitgever én jouw lezers, zodat zij gestimuleerd zijn om verder te lezen.


Begin met je verhaalidee  

Begin meteen met het introduceren van je verhaalidee. Vaak is het verhaalidee het antwoord dat je zou geven op de vraag: ‘waar gaat je verhaal over?’ Het idee is de reden dat de lezer jouw boek koopt: de tekst op de flaptekst prak hem of haar aan. Wanneer je direct met je verhaalidee begint, voorkom je lange blokken informatie en uitgebreide introducties die de lezer niet wil en niet nodig heeft.

Een goed voorbeeld hiervan is de eerste alinea van De vreemde van Harlan Coben: 
De vreemde zette Adams leven niet in één keer op zijn kop.
Tenminste, dat zou Adam Price zichzelf later voorhouden, hoewel het niet waar was. Op de een of andere manier had Adam meteen geweten, vanaf de allereerste zin, dat zijn vertrouwde leven als tevreden, getrouwde vader van twee in een leuk huis in een kleine stad voorgoed voorbij was. De zin was op zichzelf niet zo bijzonder, maar er zat iets in de toon waarop hij werd uitgesproken, de overtuiging en de bezorgdheid die erin doorklonken, wat Adam deed vermoeden dat niets ooit nog hetzelfde zou zijn.

Deze alinea geeft de lezer meteen het verhaalidee: een vreemdeling vertelt Adam Price het geheim van zijn vrouw en gooit daarmee zijn leven overhoop. Meteen begint de actie en heeft de lezer een tal van vragen. Vertelt de vreemde wel de waarheid? 

Foreshadowing

Misschien heeft jouw verhaal wel een introductie nodig. Misschien wil je eerst het perfecte, rustige leventje van je hoofdpersoon laten zien voordat je zijn of haar leven overhoopgooit. In dat geval is het aan te raden om al wat hints te laten vallen door middel van foreshadowing. Het meisje in de trein van Paula Hawkins opent met een simpele scène in de trein.

Er ligt een stapel kleren naast het spoor. Lichtblauwe stof – misschien een shirt – op een hoop gegooid met iets vuilwits. Waarschijnlijk afval, deel van een lading die stiekem in het miezerige bosje naast het spoor is gedumpt. Het kan zijn achtergelaten door de baanwerkers die aan dit deel van het spoor werken,   die zijn hier vaak genoeg. Of het is iets anders. Mijn moeder zei vroeger altijd dat ik een veel te levendige fantasie had; Tom zei dat ook. Ik kan het niet helpen: zodra ik die weggegooide vodden zie, een smerig T-shirt of een eenzame schoen, kan ik aan niets anders denken dan aan die andere schoen, aan de voeten die in die schoenen pasten.

Al snel blijkt dat stapeltje kleren niet zomaar een stapeltje kleren te zijn en dit leidt tot de introductie van het verhaalidee. Daarnaast maakt de eerste alinea de titel Het meisje in de trein al waar.

Flaptekst

Bekijken hoe anderen het doen kan inspiratie geven, maar alleen als jij zelf goed voor ogen hebt wat jouw verhaalidee is. Een goede manier om hierachter te komen is om de flaptekst van je boek te schrijven. Hierin wil je je verhaal verkopen aan de lezer en dan zul je merken dat je automatisch je verhaalidee duidelijk formuleert. Gaat jouw verhaal over een moeder wiens zoon kanker blijkt te hebben? Begin dan op de dag dat de diagnose gesteld wordt. Je kan later altijd nog teruggrijpen naar een periode waarin de zoon vage klachten had en de moeder zich zorgen begon te maken.

De eerste zin

Bij de eerste scène hoort ook de beruchte eerste zin. Als je een verhaalidee helder voor ogen hebt en een sterke eerste scène hebt gekozen, dan zal een goede eerste zin makkelijker uit je vingers komen. Begin je tekst eens met een stelling of inzicht (De vreemde zette Adams leven niet in één keer op zijn kop) of met een detail (zoals het blauwe hoopje kleding op het spoor). Wees ook niet bang om te experimenteren, te herschrijven en het opnieuw te proberen. Misschien werkt een stuk verrassend dialoog beter dan een stelling of blik je vooruit naar het einde.