Afbeelding

Show, don't tell

Foto: Pexels

3 manieren om je verhaal levendig te maken

Je verhaal wordt levendig door de toon die je gebruikt. De techniek die onmisbaar is voor levendig schrijven heet ‘show, don’t tell.’ De techniek is in theorie redelijk makkelijk te begrijpen, maar hem daadwerkelijk gebruiken kan lastig zijn. Hier volgen drie metaforen die je kan onthouden om een show, don’t tell toon te herkennen. 


Wat is show, don’t tell?

Om te beginnen: wat is show, don’t tell? Je beschrijft wat er gebeurt, zonder dat je het de lezer vertelt. Je kan schrijven 'Ik huil' maar als je schrijft 'De tranen stromen over mijn wangen' ziet de lezer meer voor zich, waardoor het verhaal levendiger wordt. Je kan hier een uitgebreidere toelichting lezen over show, don’t tell. 

1. De kundige reisgids 

Stel je voor dat je een dure, verre en lange reis gaat maken. Dan is het een grote teleurstelling als je reisgids je alleen droge informatie voorschotelt. Als hij alleen feiten opsomt, zal je het gevoel krijgen opgelicht te zijn. Ik had net zo goed een papieren reisgids kunnen lenen bij de bibliotheek. 

Dit is de gids met de ‘tell’ toon: “Deze tempel is zevenhonderdvijftig oud, en heel indrukwekkend.” Hij vertelt dat de tempel indrukwekkend is, dat moet je maar geloven. En dat kan een papieren reisgids je ook vertellen. Je hebt dan meer aan de ‘show-gids’: “In deze tempel staan duizenden Boeddhabeelden trapsgewijs opgesteld. Als je dáár gaat staan, zie je ze vanuit een hoek waardoor het lijkt alsof ze allemaal op je af komen lopen.”  Deze gids ‘showt’ waarom dezelfde tempel inderdaad indrukwekkend is.  Als je de toon van de tweede reisgids in je achterhoofd houdt, kun je bedenken: Ik neem mijn lezer mee op een reis die indrukwekkend moet zijn. Dat doe je door saaie feiten tot leven brengt. 

2. De kampvuurverteller

Je kent het beeld wel van een eng verhaal dat rondom een kampvuur wordt verteld. De toon van een goede kampvuurverteller is levendig en neemt je in een verhaal mee. In plaats van “Het meisje verstijfde van angst, maar rende even daarna alsnog doodsbang weg,” zal hij willen dat jij net zo goed bang wordt van deze enge scène. Dan komt de “show” om de hoek kijken: “Er ging een rilling over haar rug en ze draaide zich met een schok om toen ze een onverwacht geluid hoorde. Haar benen voelde aan als lood, maar met enorme krachtinspanning dwong ze haar benen haar te gehoorzamen en sprintte ze met bonzend hart weg.” 

3. De blindenbegeleider

Stel dat je een blinde op een wandeling begeleidt. Neem als uitgangspunt dat je de blinde voor even het gevoel wil geven dat hij kan zien. Als je dan in het park gaat wandelen en in de tell-stijl vertelt, schiet dat niet veel op: “De mensen zijn blij, het is heerlijk weer en de eendjes zijn in een goed humeur.” De show-stijl helpt dan wel: “Er komt een meisje voorbij gehuppeld en haar lichte lentejurkje wappert in het briesje dat jij waarschijnlijk ook langs je wangen voelt strijken. Ze heeft brood in haar hand. Ze zal misschien nog even geduld moeten hebben met de eendjes voeren, want er is een eend heel druk bezig met kopje onder gaan en in het rond spetteren.” 

Over de auteur 

Nadine van de Sande is freelance copywriter en schrijfster. Op verhaalentaal.blog post ze wekelijks een uitgebreide tip voor creatief schrijven. 

Techniek