Een jaar uit het leven van Depressie

771

De wekker gaat. Ik wil niet opstaan, het ligt lekker zo, ben piekergedachten aan het sturen en angst. 

Even denk ik dat het me vandaag lukt, dat ze blijft liggen, maar na lang wachten staat ze toch op. Ik roer mijn vingers en zorg dat er allerlei angstige gedachten komen waar ze vast geen weerwoord op heeft. 

“Wat moet ik aan? Ik ben lelijk, ik ben stom. Iedereen ziet aan mij dat ik depressief ben. Hoe moet het met de organisatie van het weekend? Hoe moet het met mijn leven? Hoe moet het met geld? Ik doe niets nuttigs met mijn leven.” 

Ondanks al deze gedachten gaat ze ontbijt maken. Ik roer mijn armen en zorg dat ze bang is, diep van binnen. Een angst die maakt dat ze niet meer kan bewegen. Even lijkt het te werken en zit ze doodstil op de bank. We horen samen het getik van het klokje op de kast en ik ben tevreden. Zo stil zitten is de manier dat er niets gebeurt. Dan heb ik controle en kan ik alles overzien. 

Maar wat is dit? Ze beweegt. Ze staat op en trekt haar jas aan. Ik wil schreeuwen: “Nee! Niet opstaan, we zitten hier goed en veilig!” Maar ze pakt haar tas en doet de deur open. 

Ik beweeg mee met mijn benen en stuur gedachten uit, probeer haar te verleiden weer naar huis te gaan. “Het is eng op straat. Het water is donker en uitnodigend, misschien kunnen we erin springen dan is alles over en hoeven we niets meer.” 

Maar ze loopt door en ik loop mee. Wat kan ik anders doen? 

Ze praat over me tegen de mensen die ze ziet op haar werk. Ik ben allesomvattend, trek alle aandacht naar me toe en zo hoort het ook. Ik ben niet opzij te schuiven, maar dat wil ze wel. Ze wil me weg hebben, probeert allerlei dingen zoals afleiding, therapie, medicijnen, maar ik laat me niet wegjagen. Ik heb iets te zeggen! Het leven is zwaar en moeilijk en zij is niet goed genoeg om dat leven te dragen en dat kan ze maar beter meteen inzien. Ze krijgt adviezen om met mij om te gaan. Ik kan zien dat ze hoop krijgt. Nou ja, laat haar maar even. Ze zet haar hoofd nu op iets anders, ik trek me even terug, mijn tijd komt wel weer. 

Ja,ze is weer beschikbaar! Die afleiding werkte wel even, maar ik ben terug. Ze zit weer op de bank en ik heb alle ruimte om mijn gedachten te sturen, om haar gedachten te sturen en ze komt tot niets. Ik ben de baas en zo gaat het al een hele tijd. Ze doet het hoognodige, maar veel komt er niet uit. Ze is slap in mijn handen, heeft geen weerwoord en ondergaat mijn zwaarte. Ze twijfelt aan alles, haar werk, haar vrienden, haar huis, de liefde, het leven, de dood. Ze geniet niet meer, ze is stil en in zichzelf teruggetrokken. Ze kan de verbinding met anderen niet goed meer maken. Gesprekken lopen stroef en haar aangeboren vriendelijkheid en enthousiasme zijn weg. Ze zegt het hoognodige en voelt zich ver verwijderd van iedereen. Ze is de verbinding kwijt met zichzelf en is als was in mijn handen. Dit is wat ik doe op mijn hoogtijdagen. 

Je denkt misschien dat ik dit expres doe, maar dat is niet zo. Ik doe het niet om haar te pesten, het is gewoon wat ik ben. Dit is wat ik doe en ik doe het niet zomaar. Er is een reden waarom ik haar heb opgezocht. Ze had het zwaar gehad en ze wilde meteen door, maar dat kan niet. Je moet het eerst voelen allemaal. Ik laat haar zien hoe eng alles is. Ze kan er een einde aan maken, dan is ze van me af, maar dat werkt niet. Zij wil dat niet. De confrontatie met mij geeft haar ook mogelijkheden en andere keuzes, maar dat ziet ze nog niet. 

Zo leven we een jaar lang met elkaar, tot er langzaam iets verandert. 

Vandaag kan ik merken dat er momenten zijn dat ze me kan accepteren, dat ze niet tegen me vecht en dat vind ik fijn. Hoe minder zij vecht, hoe minder ik hoef te schreeuwen. Ik kan dan gewoon zijn wie ik ben: somber en zwaar, donker en allesoverheersend. Soms vergeet ik dan zelfs even om dat te zijn, omdat zij me toelaat. Dan kan ik wat ontspannen. Het helpt mij als ze zich druk maakt en allerlei dingen van zichzelf moet. Dan kan ik lekker tekeergaan en doen wat ik het beste doe. Nu zit ze op de bank en laat ze me toe. Ik ben niet geheel ongevoelig voor haar verdriet en pijn, maar ik ben nu eenmaal zoals ik ben en ze zal me moeten toelaten en mijn boodschap leren begrijpen, dan verdwijn ik vanzelf. 

Na nog een tijdje begint ze weer iets te doen. Maar dan iets wat ze leuk vindt in plaats van wat ze vindt dat ze moet. Ook al probeer ik nog zo om allerlei negatieve gedachten erop los te laten, het lijkt alsof ze me niet meer zo serieus neemt. Ze schrijft over me, hele epistels, ik voel me gevleid. Het lijkt alsof ze accepteert dat ik er ben. Ik begin mijn boodschap over te brengen. Voel mij. Accepteer dat ik deel van je uitmaak, dat ik deel ben van het leven. Ik voel haar weerstand en daarna voel ik hoe ze haar best doet om mij te accepteren. Ik mag er bij zijn als zij iets leuks doet. Ik mag deel uitmaken van haar leven. Ze neemt me mee als ze de deur uitgaat en praat minder over me met anderen. Ik merk dat ik niet meer zo'n zin heb om te schreeuwen. Ik voel me wel goed zo, dat ik er af en toe mag zijn en eens iets mag zeggen. Als ik nu iets zeg, schrijft ze het op en zegt ze: “Je mag er zijn, ik hoor je, maar ik geloof al je negatieve gedachten niet en ik ga doen wat ik wil doen.” Ik moet wel even wennen, maar het is ook fijn. Ik werd ook wel een beetje moe van al het geschreeuw. Mijn krachten beginnen af te nemen, dat is altijd zo na een tijdje.Ik denk dat ze nu wel snapt wie ik ben, ze heeft nu wel door waarom ik haar kwam opzoeken. Ze mag me voelen van zichzelf. Ze heeft keuzes en ze maakt altijd de keuze om mij uiteindelijk niet het laatste woord te geven.Dat zijn de mogelijkheden die ik haar heb gegeven. En ik eb weg, ik eb altijd weer weg. Dat vertrouwen heeft ze nu.   

Door Hansje Cozijnsen