Afbeelding

Dertien tips over plotten en outlinen

Aan elk 'schrijven' ligt tenminste één idee ten grondslag. Hoe dat idee ontstaat valt onmogelijk te duiden. Wat daarna gebeurt wel: dan is het tijd om een plot te bedenken. Een staalkaart van je boek. Een plan. Maar hoe je dat? Hieronder dertien tips over het plotten.

  • De plot van een boek begint vaak als een simpel plannetje op één A4’tje, maar als het boek is voltooid, is het een web waarin alles gerangschikt is volgens de logica van de schrijver. Trek aan één draadje en alles raakt uit evenwicht.
  • Plotten is een lastig begrip, dat tot nu toe niet in het Nederlands vertaald blijkt te kunnen worden. 'To plot' betekent: 'in kaart brengen; afbakenen; samenzweren; intrigeren; plannen smeden; beramen.' Kies het woord dat het meest op je eigen plot- en schrijftactiek lijkt.
  • Er is geen algemeen geaccepteerde wijze om fictie te plotten. Vaak hebben schrijvers dan ook verschillende methodes om hun plot op te rakelen. Vaak versterken de methodes elkaar. Doe genoeg ervaring op om te begrijpen wat wel en wat niet werkt bij jouw schrijfideeën, -ambitie en -temperament.
  • Een plot volgt in principe je personages en je ruimte (setting). Onder het plotten kan echter blijken dat je ideeën over personages en ruimte aangepast moeten worden. Wees niet te lichtvaardig, denk er goed over na. Soms is het zelfs beter om je plot aan te passen, in plaats van je personage. Moet je hoofdpersonage bijvoorbeeld bedrogen worden, bedenk dan goed wie de bedrieger is - het liefst natuurlijk iemand in zijn of haar buurt. Iemand die hij of zij vertrouwt. Haal er niet zomaar weer iemand bij, als het niet nodig is.
  • Zoek naar dramatische gebeurtenissen die de verschillende hoogtepunten kunnen vormen in je boek. Werk van hoogtepunt naar hoogtepunt, en zorg dat ze op goede momenten vallen: op 1/3 bijvoorbeeld, en op 4/5. Maak een spanningsschema. Pas de rest van het verhaal aan je dramatische hoogtepunten aan: werk er naartoe.
  • Dramatische hoogtepunten werken vaak op meerdere manieren. Ze zijn niet alleen van belang voor het verhaal en het personage, maar beïnvloeden ook andere personages en gebeurtenissen. Bij de grootste dramahoogtepunten komt vrijwel alles bij elkaar en wordt iedereen en alles beïnvloed.
  • Vergeet niet je intuïtie en buikgevoel te volgen. Meestal voeren ze je in de juiste richting.
  • Als je op een tweesprong in je verhaal komt (bijvoorbeeld doordat je intuïtie je iets anders ingeeft dan je oorspronkelijke ideeën), schets dan hoe het verhaal in beide richtingen zou kunnen verlopen. Kies voor de meest sterke, rijke, bijzondere variant.
  • Outline of niet: dat is de keuze. Vaak wordt deze keuze ingegeven door je werkwijze en je genre: ben je een plotschrijver of een personageschrijver? Een outline is zeker nodig voor de ingewikkelde verhalen met complexe plots. Ga je uit van je personages dan kun je kijken wat zij gaan doen, in het verloop van het verhaal. Een outline kun je ook maken gedurende je verhaal of als je het hebt uitgeschreven om duidelijk te maken wat je precies gedaan hebt, waar je verhaal naartoe gaat en waar de zwakke punten liggen.
  • In plaats van het verhaal te outlinen, kun je ook besluiten je mogelijke lezersreacties te schetsen. Welk effect zou het verhaal op je lezer moeten hebben? Schets die voor de verschillende fases van je boek.
  • Als je niet van outlinen houdt, kun je ook andere methodes toepassen. Een landkaart tekenen, bijvoorbeeld met daarop de verschillende bewegingen van je personages in de verschillende fases (met diverse kleuren bijv.). Of je personages neerzetten, en in de verschillende fases (weer met kleuren) de verschillende relaties, gevoelens en handelingen. Zo ontstaat een soort spinnenweb. Een derde methode: tijdverloop. Zet onderaan je papier een balk met daarop de tijd die het verhaal in beslag neemt. Links zet je de verschillende personages. Schrijf op wat ze doen. Geef met pijlen aan hoe personages met elkaar te maken hebben.
  • Geef bij al je plotwerk ook aan wat eventueel niet verteld hoeft te worden. Achtergronden die alleen doorgeschemerd hoeven worden. Personages die half in het duister verborgen blijven. Verhaallijnen die met een paar streken neergezet kunnen worden.
  • Laat nooit je outline in je verhaal doorschemeren. De lezer moet gegrepen worden door het verhaal, niet door je slimme plotideeën.