UKV's van de week: Wolkentaal en Op de bodem

Iedere week zetten wij vijf ultrakorte verhalen in de schijnwerpers. Wil jij ook een ultrakort verhaal schrijven? Doe mee in onze Facebookgroep.


Gea van der Helm - Pijnlijk moment

12 juli

Er komen eters, dus moet de kamer aan kant.

Ze schikt, schuift en sopt.

Met een schuin oog op de klok.

Haast.

Een tafelpoot op haar teen.

Ze hapt naar adem.

De teen kleurt blauw.

Gekneusd.

Net als haar ego.

Kermen.

Klagen.

Een koud kompres.

Dan gaat de deurbel.

Pokerface.

De kamer is spic en span.

Milly Lanser - K. Schippers

14 juli

‘Zwart, mensen zeggen dat ik alleen zwart zie. Maar ik weet niet wat zwart is.’
‘Dan is de lucht wat je maar wil. De geur van lavendel, een aai over je kat, een warme douche in de winter.’
Stil bleven ze zitten. Zijn hand gleed naar de hare. Hun pinken raakten elkaar.
‘Mag ik iets toevoegen?’
Ze keek naar hem. Zijn ogen waren de lucht geworden. Voor haar helderblauw.
‘De lucht is verliefd zijn.’
Ze antwoordde niet. Ze kuste.

Martine van Asperen - Iene miene

14 juli

Een zweetdruppel glijdt van haar hals naar haar borstbeen, als een vinger die haar streelt. In de verte hoort ze een Spaanse gitaar, met golven als achtergrondkoor, de maan als enige verlichting. Ze wil meedansen. Het zand tussen haar tenen voelen, een hand op haar heup. Nippen van een cocktail.

Ga je wel, ga je niet. Kies eens snel, denkt ze. Twijfel kost. Vraag maar aan je chauffeur. Die weet nu beter. En doe eens gek. Hup, erheen. Maar je kent er niemand. Juist daarom! Iene miene mutte. Niet.

Ze blijft op haar balkon, wrijft zacht over haar beenstompen.

Jan Poldervaart - WOLKENTAAL

15 juli

In het Zuiderpark ontmoette ik de blinde jongen toen ik even uitrustte, op een bankje, van het hardlopen. Hij vroeg hoe de lucht er nu uitzag. Ik zocht naar woorden, aarzelde, en beschreef een eindeloze oceaan, licht golvend, soms helder, soms met witte schuimvlokken. Hij luisterde aandachtig, alsof hij het kon zien. Ik vertelde over goud warm zonlicht en schaapjes die langzaam voorbij drijven als dromende dieren. Hij knikte en zei dat hij het zich wel kon voorstellen. Samen zaten we stil. De wereld boven veranderde steeds zonder hij het ooit zou zien. De föhnwind streelde zacht onze gedachten.

Paul de Jong - Op de bodem

16 juli

‘Bluf!’ roept Boas.
‘Echt niet!’ briest Angelo vanaf de rand van het diepe bad.
‘Je durft niet.’
‘Jawel hoor.’
Angelo schuifelt naar voren. Zijn grote tenen zweven nu boven het water. Een wiebelende weerspiegeling kijkt hem in de ogen.
‘Honderd tellen, hè?’ vraagt Angelo.
‘Ja, langzaam! Makkelie, toch?’ beweert Boas.
Dan springt Angelo, zakt steeds dieper en zodra zijn billen de betonnen bodem raken, vangt hij aan te tellen.
Bij vijftig branden zijn longen.
Bij tachtig moet hij het happen naar lucht onderdrukken.
Bij honderd wil hij direct omhoog.

Bij honderdeen voelt hij zijn enkelbandje aan het bodemputje klemmen.