Wekelijkse schrijfopdracht #84 - Zenith

Put De weergalm doet hem schrikken. Een oorverdovend lawaai, dat direct uit de bakstenen wand lijkt te komen. Hij herkent zijn eigen stem niet, zo anders en vreemd klinkt die in de benauwende ruimte. Het duurt lang voor de stilte na zijn hulpkreet weerkeert, een stilte die geen rust brengt. De vochtige lucht prikkelt zijn neus. Het ruikt hier als de aankondiging van regen na een lange periode van droogte, de geur van druppels die opspatten van asfalt, van stenen muren, van verdorde akkers. Het meest nog vreest hij de kou. Een klamme kilte dringt tergend langzaam zijn lichaam binnen. Misschien duurt het nog uren, maar geleidelijk zal de koude ook zijn botten bereiken en zijn hele lijf in bezit nemen. Zijn blik kruipt voor de zoveelste keer langs de ronde wand, die zich als een ondoordringbare koker om zich sluit, naar boven. Daar, in het zenith, is het daglicht, dat zich als een ronde, albasten schijf manifesteert. Het is de enige richting van waaruit hulp is te verwachten, de enige weg naar de vrijheid. Ieder gevoel voor ruimte en tijd verdwijnt. Dimensie en ruimtelijk perspectief lijken ineen te schrompelen tot een singulariteit, een eenzaam punt van uitzichtloosheid. Hij heeft geen idee op welke diepte hij hier staat, het zou vijf meter kunnen zijn, maar evengoed tien meter. De vraag hoe hij hier verzeild is geraakt stelt hij niet, die is geheel ondergeschikt aan die intens kwellende vraag: hoe komt hij hier weer uit? Volgens een oud adagium worden mensen in tijden van nood vindingrijk. Dat mag zo zijn, maar hij ziet niet welke sublieme ingeving hier iets kan uitrichten. Slechts hulp van buitenaf kan hem redden. Maar nu het daglicht heel langzaam begint te dimmen en de avond zich aankondigt, vervliegt zijn hoop op een snelle redding.