Een andere kijk op… Show, don’t tell

Nog zo’n heilig verklaard schrijfgebod: Show, don’t tell. Hieraan heeft zelfs mastodont Stephen King gedachten gewijd, aan de hand van een voorbeeld waarin hij twee modi van beschrijven weergeeft.

De eerste modus gaat grofweg zo: Ik liep langs het enge huis en kreeg er de rillingen van.

Recht voor zijn raap is het zeker, maar prikkelt het bovenstaande de lezer om in diens hoofd beelden te zien en daar iets bij te voelen? Onderstaande lezer wordt in elk geval niet bij de lurven gegrepen.

Een voorbeeld van de tweede modus van King gaat ongeveer zo: Altijd wanneer ik langs het huis loop, versnel ik mijn pas. Ik wil niet naar het pand kijken, maar ontkom er niet aan om steelse blikken te werpen op de vale, rafelige gordijnen die door de gebroken ramen heen naar buiten wapperen. Op dagen dat ik erin slaag om mijn blik op mijn schoenen gericht te houden, is het alsof het huis me roept. Ik weet dat het de wind is die door de kieren en gaten van het rottende bouwwerk giert, maar soms is het alsof ik iemand op smekende toon mijn naam hoor fluisteren, iemand die lijkt te hopen dat ik het huis betreed om haar te redden.

Bij het tweede voorbeeld zie ik persoonlijk het tafereel heel wat beter voor me, en voel ik er ook nog eens iets bij.

Show, don’t tell lijkt in veel gevallen dus op een spelletje 30 seconds. Voor jou als schrijver is er één sleutelwoord dat je gedwongen moet vermijden. In beide bovenstaande voorbeelden is het te vermijden sleutelwoord spookhuis.

Het nadeel van Show, don’t tell zie je vooral in het tweede voorbeeld. Wanneer je het woord spookhuis koste wat kost vermijdt, dan heb je verdraaid veel woorden nodig om duidelijk te maken dat er met het huis iets niet pluis is.

Zelf ben ik daarom een voorstander van het zo nu en dan ontheiligen van dit schrijfgebod. Voor de vaart van een verhaal kan het namelijk best prettig zijn om lompweg precies te vertellen hoe het zit. Een voorbeeld: Jorik en ik hadden goede vrienden kunnen zijn, ware het niet dat hij de grootste eikel is die ik ooit heb gekend.

Geen eindeloze hints-achtige omtrekkende bewegingen, maar gewoon pats-boem het sleutelwoord zo op je bordje gedropt: eikel. Niets mis mee, volgens mij. De schrijver kan er altijd in een later deel van het verhaal voor kiezen om meer details toe te voegen over het hoe en waarom van Joriks eikelachtigheid.

Een klasgenoot op de Filmacademie had een eigen variant van het gebod. Hij zei altijd: First show, then tell. Ook voor deze zienswijze valt veel te zeggen. Denk aan het NOS-journaal dat begint met een item (show), waarna de uitzending bijna steevast eindigt met de woorden (tell): ‘We begonnen dit journaal met…’ Waarna de nieuwslezer een gesproken korte samenvatting geeft van iets wat we eerder met onze eigen ogen hebben gezien: first show, then tell in optima forma.

Gebruik het gebod hoe en wanneer het je uitkomt, zou ik zeggen, en negeer het op de momenten dat een spelletje 30 seconds te veel tijd zou vreten.

Over de auteur

Michiel Richards studeerde scenario aan de Filmacademie, werkte jarenlang als freelance scenarioschrijver voor televisie en andere media en legt zich tegenwoordig toe op het schrijven van romans. ‘Een muur van croutons’ is zijn recentste boek.