Hoe geef je dialogen weer?

In boeken en verhalen gaan personages altijd met elkaar in gesprek. Die gesprekken kun je op verschillende manieren weergeven. Welke manieren zijn dat en kun je die ook met elkaar combineren?

Wanneer je begint met schrijven, krijg je vaak het advies om je beschrijvingen af te wisselen met dialoog. Dit verlevendigt niet alleen het verhaal, maar heeft ook nog andere functies: een dialoog onthult iets over het karakter van de personages die aan het woord zijn en over hun onderlinge relaties, het voorziet de lezer van belangrijke informatie of het helpt de actie in het verhaal verder. Er zijn schrijvers, zoals Esther Gerritsen, die heel veel dialogen gebruiken. Maar sommige boeken, zoals bijvoorbeeld Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers, bevatten nauwelijks dialoog. Wat vaak niet duidelijk wordt gemaakt als we het over dialoog hebben, is dat het dan over ‘directe’ dialogen gaat. Hoe zit dat eigenlijk? 

1. Directe dialoog 

Deze vorm van dialoog staat altijd tussen aanhalingstekens. Het zijn letterlijke citaten van wat jouw personages zeggen. Voor of na de aanhalingstekens wordt aangegeven wie er aan het woord is: 

Janneke zei: ‘Ik had nooit verwacht dat ik je ooit nog zou zien.’ ‘Ik wilde afscheid van je nemen, maar dat mocht niet van mijn ouders,’ zei Jip, met tranen in zijn ogen. 

Wanneer duidelijk is wie er spreekt, laat je de labels achterwege: 

‘Maar waarom?’ ‘Ze dachten dat het te traumatisch voor me zou zijn.’ ‘En nu zitten we hier.’ ‘Ja, Janneke. Nu zitten we eindelijk hier.’ 

2. Indirecte dialoog 

Soms wordt in romans wel veel gesproken, maar niet door middel van directe dialogen. Bij een indirecte dialoog wordt er verteld (tell) wat in een dialoog wordt besproken, zonder het letterlijk te laten zien (show). In dit geval horen we niet de stemmen van de personages, maar lezen we in de woorden van de verteller wat er is gezegd. Hier laat je de aanhalingstekens dus achterwege, maar geef je wel duidelijk aan wie aan het woord is: 

Janneke zei dat ze nooit had verwacht hem ooit nog te zien. Jip sloeg zijn ogen neer. Hij vertelde dat hij naar haar toe had willen gaan, maar dat zijn ouders hem hadden tegengehouden. Ze dachten dat het afscheid te traumatisch voor hem zou zijn. 

3. Samenvatting 

Soms is het niet nodig precies na te vertellen wat de personages met elkaar hebben besproken en wordt globaal samengevat waarover ze het hebben gehad. Je kunt dan ook meteen mooi aangeven hoeveel tijd er is verstreken: 

Jip en Janneke bespraken de hele nacht hoe erg ze het vonden dat ze elkaar nooit meer hadden gezien. Jip moest huilen. 

OEFENING A 

Schrijf een directe dialoog tussen twee personages met de beginzin: ‘Ik ga niet.’ Bedenk wie je twee personages zijn, wat hun onderlinge verhouding is, waar het eerste personage niet naartoe wil en waarom niet. Zorg ervoor dat dat personage uiteindelijk toch gaat. Beschrijf tussendoor ook de gezichtsuitdrukkingen, lichaamshoudingen en eventuele handelingen van de personages. 

OEFENING B 

Herschrijf nu dezelfde dialoog, maar maak er een indirecte dialoog van. Vat samen wat je samen kunt vatten. Hou de gezichtsuitdrukkingen, lichaamshoudingen en handelingen erin. Wat vind je van deze vorm? 

OEFENING C 

Kijk nog eens naar de directe dialoog die je hebt geschreven. Wat is de kern van die dialoog? Waar draait die om? Welke twee zinnen zijn het belangrijkste of het aangrijpendste? Neem deze twee zinnen en verwerk die in je indirecte dialoog. Wat is hiervan het effect? 

Een combinatie van dialoogvormen kan heel goed werken. Een valkuil bij het schrijven van dialogen is namelijk dat ze te lang zijn en niet snel genoeg tot de kern komen. Het gevaar is dan dat je dialoog gaat ‘kabbelen’ en dat de lezer het gevoel krijgt oeverloos tekst te lezen. Als je indirecte dialoog combineert met een paar zinnen directe dialoog, dan springen deze zinnen eruit en krijgen daardoor automatisch meer nadruk. Dit verhoogt ook weer de spanning. 

4. Vrije indirecte rede 

Er is nog een tussenvorm die je kunt gebruiken: de vrije indirecte rede. Hierbij vermeng je als het ware de stem van de verteller met de stem van je personages. Het voordeel hiervan is dat je heel dicht op de huid en diep in de belevingswereld van je personages kunt gaan zitten. Een kenmerk hiervan is dat je geen labels gebruikt en in de stem van het personage vertelt. De dialogen kunnen hierdoor opgaan in de tekst van de verteller, waardoor het niet altijd duidelijk is of dat wat er staat een gedachte is of een dialoog: 

Janneke had gedacht dat ze hem nooit meer zou zien, maar nu zat hij hier, naast haar. Ze zocht zijn ogen. Waarom was hij niet naar haar toe gekomen? Jip had niets liever gewild, maar zijn pa en ma hielden hem verdorie vast. Ieder aan een kant, hun vingers om zijn polsen geklemd. Het afscheid zou te traumatisch voor hem zijn. Ze moest eens weten hoe hard hij zich had proberen los te trekken! De tranen welden op in zijn ogen. 

Uit bovenstaand stukje kun je niet met zekerheid zeggen of dit gedachten zijn of dat er dialoog is uitgesproken, maar door het gebruik van ‘pa en ma’, ‘verdorie’ en ‘ze moest eens weten’ – woorden die eerder van Jip lijken te komen dan van de verteller – wek je de indruk dat Jip dit heeft gezegd. 

OEFENING D 

Herschrijf je directe dialoog van oefening A in de vrije indirecte rede, dus zonder labels en aanhalingstekens en met de stem van je personage. Vergelijk beide teksten met elkaar. Wat werkt goed en waarom? 

Bekijk dus goed welke dialoogvorm het beste past bij wat jij wil zeggen én bij wat je personages willen zeggen. 

Dit artikel verscheen eerder in Schrijven Magazine 2 van 2025. Nooit meer een nummer missen? Meld je aan!