Hoe gebruik je het weer in je verhaal?

Een regenstorm met donderslagen en bliksemschichten, een lentebriesje dat de magnoliaknoppen zachtjes heen en weer doet wiegen, een hittegolf in een dichtbevolkte stad waar de marathon wordt gerend... Gebruik het weer om je verhaal kracht bij te zetten. 

Vaak nemen we het weer voor lief en besteden we er niet veel aandacht aan, alleen om erover te klagen of juist om ons erover te verheugen. Maar in een verhaal kan het weer een grote rol spelen. In Scandinavische thrillers wordt bijvoorbeeld gebruikgemaakt van het koude, donkere weer om de sfeer nog grimmiger te maken en romantische verhalen spelen zich vaak af in warme oorden als een zonnig Toscane of op een Caribisch eiland, omdat schaars geklede mensen nu eenmaal meer lust opwekken dan mensen in mutsen en wollen sokken. Het weer kan de setting een extra dimensie geven, de sfeer bepalen, de emoties van je personage spiegelen of juist contrasteren en de zintuiglijke beleving van je personages versterken. Bovendien kan het weer het verloop van je verhaal beïnvloeden. 

1. Setting en de vier seizoenen 

Het weer kan heel erg de sfeer bepalen. In de zomer door de grachten varen met een wijntje of een biertje is heel gezellig, maar marshmallows poffen boven een vuurkorf in de winter ook. Bepaal dus eerst in welk seizoen je verhaal zich afspeelt. Hoe warm of koud is het? Hoe droog of nat? Hoe laat komt de zon op en gaat deze weer onder? Is er misschien een feestdag waarmee je jouw sfeer extra kunt benadrukken? Misschien bestrijkt jouw verhaal een dag, misschien een heel jaar. Kijk dan goed op welk tijdstip of in welk seizoen je begint en wanneer je eindigt. Wanneer de lezer weet wanneer iets plaatsvindt, geeft dit houvast en krijgt hij een gevoel van het verstrijken van de tijd. 

OEFENING A 

Beschrijf in 200 woorden een typische herfstdag, zonder dat je een personage introduceert. Probeer juist het weer te benaderen als een personage. Wat doet het weer, hoe voelt het, wat brengt het teweeg? 

OEFENING B 

Beschrijf nu een personage dat ’s ochtends wakker wordt en de deur uitgaat op deze typische herfstdag. Hoe beïnvloedt dit seizoen haar zintuigen, wat ze doet, wat ze denkt, et cetera? En hoe beïnvloedt dit haar omgeving? 

OEFENING C 

Beschrijf dezelfde scène nu in een ander seizoen. Hoe ziet een typische dag eruit? Wat doet het met de binnenwereld van je personage? Wat gebeurt er in de buitenwereld? Welk effect heeft dit? 

2. Sfeer en emotie 

Het weer kan zowel de sfeer beïnvloeden in de setting van je personage als van haar binnenwereld. Als je personage opgroeit in een gezin waar nauwelijks wordt gesproken, maar waar wel van alles broeit, dan is het weer misschien letterlijk broeierig. Het weer spiegelt dan de sfeer van het gezin. Als je personage zich ongeliefd voelt, dan is het buiten misschien ijskoud om dat gevoel te spiegelen. Je kunt er ook voor kiezen om het weer dan juist als contrast te gebruiken. Je personage groeit op in een warm en hecht gezin, terwijl het buiten vriest en je geen hand voor ogen kunt zien. Of je personage voelt zich koud en leeg, terwijl het buiten heerlijk weer is en iedereen op een kleedje in het park zit te picknicken. Een verandering in het weer kan een vooruitwijzing zijn op wat er gaat komen. Als het heerlijk weer is en het gaat jouw personage voor de wind, dan kan het plotseling betrekken van de hemel een teken zijn dat er toch een vuiltje aan de lucht is. 

OEFENING D 

Neem het personage uit oefening B (of uit een ander verhaal waar je aan werkt). Beschrijf je personage in een setting waar ze zich op haar gemak voelt, als een vis in het water. Spiegel deze gemoedelijke setting met het weer. 

OEFENING E 

Beschrijf nu je personage in dezelfde setting, maar gebruik het weer als contrast. Wat voor effect heeft dit? En wat gebeurt er als het weer verandert van spiegelend naar contrasterend? 

3. Het weer als plotonderdeel 

Het weer kan ook invloed hebben op je plot. Als het buiten koud en glad is, kan je personage uitglijden en haar been breken, waardoor ze bijvoorbeeld een beroep moet doen op iemand om haar te helpen. Of ze moet ergens gaan schuilen, omdat het begint te stortregenen, waardoor ze met haar toekomstige partner in een portiekje belandt. 

OEFENING F 

Pak je personage uit oefening B (of je eigen verhaal) er weer bij. Kies een seizoen en beschrijf het weer. Introduceer je personage en maak het weer steeds erger. Trek het tot in het extreme door. Beschrijf hoe deze weersomstandigheden je personage samenbrengen met een ander personage of een groep. 

OEFENING G 

Neem hetzelfde personage, maar dan in een tegengesteld seizoen. Maak de weersomstandigheden steeds extremer en beschrijf hoe je personage hierdoor (het contact met) een ander personage verliest. 

Dit artikel verscheen eerder in Schrijven Magazine editie 2 van 2026. Nooit meer een nummer missen? Meld je dan aan!