Lid sinds

8 jaar 9 maanden

Rol

[roman] Nachtflarden

Nieuw bij schrijvenonline. Mijn leven lang aangetrokken geweest tot schrijven, maar het avontuur nooit aangedurft. Tot op heden. Ik heb een eerste hoofdstuk geschreven van wat mogelijk een roman kan worden. Wat ik wil weten is: is het interessant? Boeiend? Wil je hierna meer weten? Hoe is het qua stijl en opbouw?

Fragment

22.32 Ze ligt op haar rug, wachtend tot de demonen weer zullen verschijnen. Meestal duurt dat niet lang. Ze zitten onder het bed, in de schaduwen tussen de muur en de kast, in de vormen van het tapijt. De gitzwarte vleugels vormen nieuwe schaduwen in haar kamer. Met hun scherpe klauwen rijten zij de wonden open. Ze haat de eindeloze, slapeloze nachten en tegelijkertijd houdt ze van ze. De nachten met haar demonen, die overdag grotendeels getemd en afwachtend in een kooitje zitten. De demonen wijzen haar de weg, laten haar beelden zien, herinneringen voelen, pijn ervaren. De fluwelen deken van de nacht maakt het allemaal wat hanteerbaarder. De dag met zijn felle, ongenaakbare licht, laat niets aan de verbeelding over, legt alles genadeloos bloot. De nacht niet. De nacht is milder, zachter. Voor haar geestesoog verschijnt weer dat beeld. Dat beeld dat haar al zo lang achtervolgt. Het beeld van haar vader, in het ziekenhuisbed, die zijn rechterhand optilt en een gebaar maakt van ‘wat moet dat moet’. Het gebaar van zijn rechterhand, waarmee hij toestemming geeft om het infuus toegediend te krijgen. Hij maakt het gebaar met zijn réchterhand. De kant van zijn lichaam dat verlamd was... Haar demonen pakken haar vast, hun scherpe klauwen stevig in het vlees van haar bovenarmen en brengen haar terug naar die nacht. Ze ligt al twee uur klaarwakker in bed, volledig kalm en ontspannen. Als de telefoon gaat verbaast het haar niet haar moeder te horen, die zegt dat er een ambulance onderweg is voor haar vader. Ze stapt uit bed, kleedt zich aan, loopt naar het huis naast de hare. “Hij reageert nergens meer op”, zegt haar moeder. Ze loopt naar de slaapkamer en ziet hem op de rand van het bed zitten. Hij heeft alleen een t-shirt en een incontinentiebroekje aan. Met kromme rug, zijn schouders ver voorover gebogen, kijkt hij naar beneden. Het witte, doorschijnende vel van zijn benen laat blauwe aderen zien. De man die bijna twee meter is als hij rechtop staat, ziet er nu klein en fragiel uit. Ze gaat naast hem zitten. Hij kijkt haar aan. Ze ziet zijn gezicht aan de rechterkant scheef hangen. Hij kijkt weer naar beneden, naar zijn handen. Zijn linkerhand plukt aan het vel van zijn rechterhand. Hij zucht diep. Er hangt een druppel aan zijn neus. Met zijn linkerhand wrijft hij over zijn schedel. Ze kijkt naar haar moeder, die aan de andere kant van het bed staat. “Hij heeft een beroerte”, zegt ze tegen haar moeder, “ga jij je maar even omkleden. De ambulance zal er zo wel zijn.” Ze hadden voor de keuze gestaan: bloedverdunners toedienen of niet. De risico’s waren niet groot. Haar moeder had getwijfeld. Haar vader was inmiddels weer een beetje bij zijn positieven gekomen. Hij kon nog steeds niet praten, maar hij reageerde weer op prikkels uit de omgeving, kon zelfs weer lachen en bemoeide zich overal mee. Toen de neuroloog aan hem vroeg of hij het begrepen had, wist hij er zelfs een “Ja” uit te persen. En toen hem werd gevraagd of hij de bloedverdunners wilde, stak hij zijn rechterhand op in dat gebaar van toestemming. Zijn réchterhand. En niemand die dat doorhad, zelfs zij niet. Ze draait zich op haar rechterzij. Wat nou als ze het zich wel beseft had? Ze hoort de stem van haar moeder, toen, in het ziekenhuis: “Dan wordt het een kasplantje, en dat is niks voor hem.” Natuurlijk is het niets voor hem om als kasplantje door het leven te gaan. Voor wie wel? Is er iemand waarvan je zou zeggen: “Jij zou het goed doen als kasplantje, dat is echt wat voor jou!” Wat een onzin. Niemand wil als kasplantje leven. Maar om hem dan meteen dood te wensen, omdat dat beter voor hem zou zijn, vindt ze weer het andere uiterste. Want waarom zou er nu niet een wonder kunnen gebeuren? Dat de hemel openbreekt, een helder licht verschijnt, terwijl je “Halleluja” hoort, en dat hij dan wakker wordt en misschien nog wat moet revalideren, maar wel gewoon opknapt. Dát zou pas bij hem passen. -o- “Hoe is het nu met je moeder?” “Het gaat.” “Redt ze het een beetje?” “Jawel hoor.” “Ik vind het zo erg voor haar...” “Sja...” “Let jij goed op haar?” “Ja hoor.” “Hoe is het nu met je moeder?” “Hoe gaat het met je moeder?” “Redt je moeder zich een beetje?” “Let jij goed op je moeder?” “Hoe is het met je móeder?” “Hoe gaat het met je MOEDER?” Ineens is ze weer 6 jaar. De buurjongen van 15 ligt in de tuin. Hij zegt dat hij moe is. Dat vindt ze irritant: zíj is moe! Dus ze zegt: “Maar ik ben moeder.”

Lid sinds

12 jaar

Rol

  • Gewone gebruiker
Ik vind het interessant, er zitten zeer mooie vondsten in. Dát zou pas bij hem passen. vind ik de mooiste. Wil ik meer weten, nou, dat ligt moeilijker. Je schetst hier een beeld wat ik geboeid heb gelezen. Stijl. Ken je show don't tell? Neem nou een zin als: Ze hadden voor de keuze gestaan: bloedverdunners toedienen of niet. Zo''n opmerking is niet aantrekkelijk, daar zit een gevoel of meeslependheid in. Je vertelt het me, terwijl het veel aangrijpender is als je het me laat zien: schrijf het uit in een scène. Laat haar bij haar vader neerknielen en opkijken naar haar moeder, die angstig protseteert. Ook hier: Hij kon nog steeds niet praten, maar hij reageerde weer op prikkels uit de omgeving, kon zelfs weer lachen en bemoeide zich overal mee. Dit is een schets van de globale situatie. Maak het specifiek. Laat het zich voor de ogen van je lezer afslepen. Opbouw. Je hebt gekozen voor flarden van informatie. Ik moet zeggen dat ik er op dit moment nog niet echt een lijn in zie. In het begin geef je me het gevoel dat ze zich schuldig voelt, dat ze iets met zich meetorst. Dan komen we in het ziekenhuis en het huis van haar vader, en daar gebeurt van alles, maar niets dat echt haar schuld is, dus ik kan het nog niet echt rijmen met de demonen uit de opening. Dan over zijn rechterhand. Hij maakt het gebaar met zijn réchterhand. De kant van zijn lichaam dat verlamd was... Ik zie hier wel iets spannends in zitten, maar de manier waarop je het vertelt is wel erg onsubtiel. Suggestie: vertel de lezer niet in dezelfde zin dat hij aan zijn rechterkant verlamd is, en dat zijn rechterhand bewoog. Liefst zelfs niet in dezelfde alinea. Als je die twee feiten los van elkaar vertelt, is het aan de lezer om de puzzelstukjes in elkaar te klikken, en dat zal je verhaal een veel groter gevoel van diepte en subtiliteit geven.

Lid sinds

17 jaar 7 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker
Hi, waarom begin je niet met de tweede alinea? "Voor haar geestesoog verschijnt weer dat beeld ..." Het begin over die demonen vind ik niet zo sterk. Sowieso herhaal je het woord demonen enkele keren, en dat doet afbreuk. Het je het (elders) beschrijven zonder die gedachen als demonen te kwalificeren? Verder, doorgaan, gewoon doorgaan ...

Lid sinds

8 jaar 9 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker
Hoi, Bedankt voor jullie reactie. Hier kan ik zeker wat mee. V.w.b. die demonen / schuldgevoel: het stuk is iets langer dan wat ik hier kwijt kon en eindigt met een 'opmaat' naar wat er allemaal in het jaar ervoor vooraf is gegaan (en waar dus die demonen mee te maken hebben). Maar dat dat nog niet helemaal duidelijk is, begrijp ik, en ga ik naar kijken. Ik ga de tekst aanpassen en gewoon lekker doorschrijven! Dank jullie wel! Jessica

Lid sinds

9 jaar 8 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker
All that Jess, is het interessant? Ik vind van wel Boeiend? Ja, of eerder een beetje geheimzinnig Wil je hierna meer weten? Ik neem aan dat je daarmee bedoelt: zou je verder willen lezen? Ja Hoe is het qua stijl en opbouw? Voor stijl zie opmerking Diana Silver, idd: laat het zien! Opbouw: fragmentarisch, maar het werkt voor mij wel. Advies: schrap de 1e alinea, dat is feitelijk vertelde informatie die je in alinea 2 laat zien. Graag gelezen en gewoon doorgaan ;) groet,

Lid sinds

12 jaar

Rol

  • Gewone gebruiker
Trouwens, ik vergat te melden: ik vind het fragmentarisch ook zeker werken. Het boeit en houdt me aan het denken. Mijn opmerking in post #1 dat ik er nog geen lijn in zie, was een neutrale observatie, zeker negatief punt, want ik zou zonder bezwaar nog een bladzijde of twee zo doorlezen om te ontdekken waar het precies naartoe gaat.

Lid sinds

10 jaar 5 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker
Wat ik wil weten is: is het interessant? Ja. Boeiend? Ja. Wil je hierna meer weten? Ik ben heel nieuwsgierig naar hoe het verder gaat. Waarom hij zijn 'verlamde' hand kon bewegen. Dat vind ik een erg intrigerend gegeven. Hoe is het qua stijl en opbouw? Dat is prima. Nog een paar kleine opmerkingen: Ze ligt op haar rug, wachtend tot de demonen weer zullen verschijnen. Meestal duurt dat niet lang. Ze zitten onder het bed, in de schaduwen tussen de muur en de kast, in de vormen van het tapijt. De gitzwarte vleugels vormen nieuwe schaduwen in haar kamer. Met hun scherpe klauwen rijten zij de wonden open. Ze haat de eindeloze, slapeloze nachten en tegelijkertijd houdt ze van ze. De nachten met haar demonen, die overdag grotendeels getemd en afwachtend in een kooitje zitten. De demonen wijzen haar de weg, laten haar beelden zien, herinneringen voelen, pijn ervaren. De fluwelen deken van de nacht maakt het allemaal wat hanteerbaarder. De dag met zijn felle, ongenaakbare licht, laat niets aan de verbeelding over, legt alles genadeloos bloot. De nacht niet. De nacht is milder, zachter. > Zie commentaar van Dinand. Hij kijkt haar aan. > Als hij nergens meer op reageert, hoe kan het dan dat hij haar aankijkt? (Ik weet helemaal niks van beroertes, dus als dit een domme vraag is, negeer hem maar.) En niemand die dat doorhad, zelfs zij niet. > Naar wie verwijst de 'zij'? De neuroloog of de hoofdpersoon?

Lid sinds

8 jaar 9 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker
Hey Noes, dank voor de aanvullingen! Inmiddels heb ik de eerste alinea helemaal geschrapt en ben ik ook andere dingen gaan schrappen en aanpassen. Het probleem met de 'zij' heb ik inderdaad tijdens het schrijven ook. Ik zit erover te denken om het verhaal vanuit de 'ik' te gaan vertellen, maar vraag me af of dat geen afbreuk doet aan het verhaal. Maar op die manier heb je de 'verwijsproblemen' wel getackeld natuurlijk.... To be continued.. Jessica

Lid sinds

12 jaar

Rol

  • Gewone gebruiker
Het perspectief van je verhaal verwisselen om de verwijzingen te omzeilen is wel met een kanon op een mug schieten... Anyway, er zijn allerlei trucjes om het probleem te tackelen, bovendien kun je het ook gewoon noemen in het geval je er echt niet uitkomt. En niemand die dat doorhad, zelfs de neuroloog niet.

Lid sinds

8 jaar 9 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker
Haha, dat is een mooie vergelijking, Diana Silver! :-) Ik had er misschien bij moeten vermelden dat ik ooit ben begonnen met vertellen vanuit de 'ik', en dat later heb gewijzigd in de 'zij'-vorm. Het is dus voor mij sowieso een twijfelding: vanuit welk perspectief werkt het het best. Maar inderdaad, er zijn ook andere opties (soms zit ik zo vast in een bepaald vraagstuk dat ik andere oplossingen niet eens meer zie...)