Lid sinds

4 maanden

Rol

[Jeugdboek fantasy] De Zonneprins [hs 1]

Dit is de eerste helft van het eerste hoofdstuk van De Zonneprins. Een fantasy jeugdboek voor kinderen vanaf een jaar of 10. Ik ben al heel lang bezig met dit verhaal en ben nu in de fase dat ik alles herschrijf met een focus op de taal.

Ik ben dus vooral benieuwd naar feedback over mijn schrijfstijl. Daarbij ben ik ten eerste benieuwd naar hoe geschikt mijn schrijfstijl is voor kinderen vanaf 10 jaar. Ten tweede wil ik graag weten of er dingen zijn die opvallen aan mijn schrijfstijl. Bijvoorbeeld: zijn er woorden of zinsconstructies die ik te veel gebruik? Of zijn er zinnen die niet lekker lopen? 

Dankjewel!

Fragment

Hij schrok wakker uit een droom vol wapengekletter en gevechtskreten. Het voelde alsof zijn schedel ging openbarsten. Zijn ledematen voelden stijf en pijnlijk. Hij knipperde een paar keer met zijn ogen, maar zag niets. Hij ademde de koele lucht in. Het rook er naar de klei waarmee hij wel eens potten had gemaakt. Voorzichtig zette hij zijn ellebogen naast zich op de grond en duwde zich omhoog om te komen zitten. Onmiddellijk schoot een scherpe pijn door zijn hoofd. Met een kreun zakte hij weer terug.

“Ben je wakker?” Hij schrok op, waar kwam die stem vandaan? Hij herkende de stem wel. Maar waarvan?

“Wie- wat…” stamelde hij. Hij begreep er niets van. Hij hoorde iemand bewegen. Het geluid verplaatste zich, de persoon pakte iets op. Toen hoorde hij getik en zag hij vonkjes opvliegen in het donker. De vonkjes werden een vlammetje. De gedaante van een man doemde op achter de vuurplaats, waar de vlammen zich snel verspreidden. Voorzichtig deed hij nog een poging te gaan zitten. Hij duwde zichzelf door de pijn heen. De man pookte nog wat in het vuurtje en gaf hem toen een veldfles aan. Aarzelend rook hij eraan. Hij nam voorzichtig een slok. Toen het koele water door zijn keel gleed, merkte hij pas hoe veel dorst hij had.

“Niet te snel,” zei de man, “kleine slokjes. Je hebt te lang te weinig gedronken.” Na nog een laatste slok legde hij de veldfles naast zich op de grond. Hij kon de man nog steeds niet goed zien. Maar de stem kwam hem zo bekend voor… Hij vertrouwde hem. Maar waarom? Wie was hij?

“Hoe voel je je?” 

“Ik… Ehm… Mijn hoofd- Ik heb hoofdpijn” stamelde hij, “en ben misselijk. Waar zijn we? Wat is er gebeurd?” Zijn blik bleef even hangen bij de dansende schaduwen die de vlammen maakten op de wanden van de grot. Als hij in het vuur keek was het alsof zijn ogen werden lekgeprikt. Snel wendde hij zijn gezicht af.

“Ik ben blij dat je wakker bent. De afgelopen week was je af en toe bij bewustzijn, maar dan was je vooral aan het ijlen. Dus fijn dat we nu weer een normaal gesprek kunnen hebben.”

Het duurde even voor de woorden tot hem doordrongen. Hij bracht zijn hand naar zijn hoofd en voelde daar een dik verband. Geschrokken trok hij zijn hand terug en keek ernaar. Geen bloed. “Ben ik gewond?”

Hij ging rechter op zitten. Hij veegde zijn handen af aan zijn broek en pakte de veldfles om nog een slok water te nemen. 

“Natuurlijk ben je gewond, je hebt een flinke smak gemaakt. Weet je dat niet meer?”

Hij keek de man verbaasd aan. Een smak gemaakt? Nu het vuur groter was kon hij de man beter zien. Toen pas viel het kwartje, “opa! Jij bent het!” 

Zijn opa keek hem niet-begrijpend aan, “ja?” Hij vervolgde op zachtere, sarcastische toon, “wie anders?”

“Ik- ik weet niet…” Even was het alsof zijn hersenen alle woorden die hij kende door elkaar hadden gehusseld.

Zijn opa keek hem even peinzend aan en schoof toen dichter naar hem toe. Hij keek hem bezorgd aan, “Alexander, denk even goed na: wat is het laatste wat je nog weet?”

Lid sinds

4 jaar 5 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

Ik weet niet of het misschien nodig is dat je de leeftijd wat duidelijker afbakent. Vanaf een jaar of tien ... dat is vaag. Voor een tienjarige lijkt de taal me te ingewikkeld en de zinnen te lang.

Ik ben een leek op het gebied van jeugdliteratuur, dus leg dit gerust naast je neer, maar voor die leeftijd zou ik meer denken aan zoiets: 

Alexander schrok wakker. Hij had gedroomd dat hij meedeed aan een zwaardgevecht. Hij had hoofdpijn, zijn armen en benen voelden stijf aan. Hij wist niet waar hij was, het was aardedonker. Hij haalde diep adem. Het rook hier naar klei, hij herkende die geur omdat hij wel eens klei gebruikt had bij het maken van potten. Hij ging rechtop zitten, maar daardoor deed zijn hoofd nog meer pijn. Hij zakte terug. 
“Ben je wakker?” klonk opeens een stem. 
Hij schrok, in het donker had hij niet gezien dat er iemand bij hem was. Hij kende de stem wel, maar waarvan? Hij begreep er niets van. Hij hoorde iemand bewegen, toen hoorde hij getik en zag hij vonkjes oplichten. De vonkjes werden een vlammetje. Alexander begreep dat degene die bij hem was een vuur maakte. Nu het wat lichter was zag hij dat hij in een grot was. Hij zag de gedaante van een man. Nu ging hij wel rechtop zitten, hoeveel pijn het ook deed. De man pookte met een staaf ijzer in het vuur. Met zijn andere hand gaf hij Alexander een veldfles. Toen hij gulzig begon te drinken merkte hij pas hoeveel dorst hij had.  
“Rustig aan,” zei de man. “Kleine slokjes, dat is het beste als je al een poosje niets gedronken hebt.”
Alexander nam voorzichtig nog een slokje, toen legde hij de veldfles naast zich neer. Hij kon nog steeds niet zien wie de man was. Maar hij was niet bang, hij wist dat hij hem kon vertrouwen. 
De man boog zich naar hem toe. “Hoe voel je je nu?”
“Ik heb pijn in mijn hoofd.” Alexander trok een vies gezicht. “En ik ben een beetje misselijk.” In het halfduister keek hij naar de schaduwen op de muren van de grot. “Waar zijn we? Wat is er gebeurd?”
“Je hebt een hele tijd geslapen, jongen. Af en toe was je even wakker, of in elk geval leek het alsof je wakker was. Je ijlde, dat betekent dat je een beetje wakker bent en een beetje droomt, en dat je allemaal onbegrijpelijke dingen zegt. Ik ben erg blij dat we nu weer gewoon met elkaar kunnen praten.”