Lid sinds

5 jaar 2 maanden

Rol

[Historisch kort verhaal] Wieringen

Ik neem jullie mee in het laatste fragment van een kort verhaal dat gaat over het eiland Wieringen in de tijd van de inpoldering (1924). Een kort verhaal in een historische context. Het fragment dat ik laat zien zijn de laatste paragrafen. Ik schrijf beschouwend en waarnemend, vind ik zelf en volgens mij past dit goed in dit genre. Maar is het ook voldoende boeiend? Spreekt dit aan? Ook andere suggesties zijn uiteraard welkom.

Fragment

Het was uit nieuwsgierigheid dat Gerrit Asjes en Wigbout die donderdag bij de nieuwe dam gingen kijken. Het werk vorderde, het zou niet lang meer duren of het eiland was verbonden met de vaste wal. Komende dagen zou het laatste gat gedicht worden. Nu stonden twee dijkpieren nog tegenover elkaar, op slechts een tiental meters afstand. Het water deed nog een laatste poging om de dijkafsluiting te voorkomen. Briesend en kolkend streed het water en perste zich tussen de dijkpieren. Op elk van de pieren stond een grijpkraan. Asjes en Wigbout zagen hoe de grijpers de grote blokken steen verplaatsten en hoe met keileem holtes gevuld werden. Daarna liepen ze weer terug naar de haven van De Haukes en waren net op tijd om de Nepos te zien aanmeren met de Zuiderzeeraad aan boord. Asjes en Wigbout keken naar de mannen op het dek. Deftig volk met lange jassen en hoeden. Er waren ook enkele vrouwen bij die dicht bij elkaar stonden en met een minachtende blik naar het land keken. Asjes herkende tussen de mannen Cornelis Lely die leiding gaf aan de inpoldering en veel op het eiland verbleef. De man naast hem moest minister Colijn zijn. Het gezelschap werden omslachtig geholpen op de steiger en liepen druk pratend en wijzend naar de omgeving in de richting van de dijkpieren waar Asjes en Wigbout zojuist waren geweest. Beiden keken toe hoe de delegatie zich op de nieuw gestorte dijk begaf in de richting van de dijkpieren met de grijpkranen.

Duizelig van de zandkoliek, rende het paard onrustig de weg af. De gammele omheining van de hoeve van Wigbout had het gemakkelijk gemaakt om de weg te bereiken en het dier was in draf gegaan, de weg naar beneden naar de haven. Een knecht had nog geprobeerd hem tegen te houden, maar met een ruk van zijn trotse paardenkop werd hij afgeweerd. Waggelend alsof het dier op elk moment kon instorten liep hij verder. De weg naar beneden gaf het paard kracht en snelheid. Snel naderde het over de dijk de haven en stormde recht op de Zuiderzeeraad af. Het was alsof het dier een laatste poging deed de inpoldering tegen te houden en de schuldigen daarvoor te straffen. Wigbout herkende zijn paard onmiddellijk, hij schreeuwde, maar niemand hoorde. Het was een wonderlijk toeval dat iemand van delegatie toevallig omkeek en het paard zag naderen. Het dier kon het niet lang meer houden. Struikelend en bekschuimend liep het nog enkele meters verder. Het leek nog te twijfelen of het zou kiezen voor de zeezijde of de Amstelzijde, maar stortte besluiteloos voor de verbaasde ogen van de Zuiderzeeraad de dijk af, de Zuiderzee in en werd gelijk met de sterke stroming meegevoerd.

De afronding van de dijk in de daaropvolgende dagen ging sneller dan verwacht. Slechts weinigen waren er getuige van hoe de grijpers de laatste basaltblokken lieten zakken waarmee de dijkpieren met elkaar werden verbonden. De enkeling keek verbaasd toe en realiseerde zich op dat moment dat Wieringen geen eiland meer was. Het was een moment dat snel voorbij ging en de Wieringer courant zou er slechts een klein artikel aan wijden. De grijpers stonden nu niet meer op de dijkpieren, maar op verplaatsbare pontons. Voordat het laatste stroomgat gevuld kon worden met basalt werd eerst het wier verwijderd. Ook in het laatste te vullen gat zat zeewier. Gulzig grepen de stoomgedreven grijpers in het wier en trokken het gat leeg, maar de laatste volle grijper was zwaarder dan anders. Er zat niet alleen wier en zeewater in. Verbaasd keek de machinist naar het bruine paardenlijf dat gevangen zat in de grijper, bungelend boven het laatste stroomgat. De kop en twee benen van het dode beest staken uit de grijper. Eén poot wees naar het open water van het Balgzand, het andere been wees naar de glooiende witte wierdijk aan de zuidrand. Daar waar het zoute water spoedig brak zou worden.

Lid sinds

12 jaar

Rol

  • Gewone gebruiker

Als dit het volledige verhaal was, dan zou het denk ik wel kunnen werken. Als dit het eind is van een nog langere tekst, dan zou ik het verhaal denk ik niet uitlezen wergens gebrek aan plot, spanning en opbouw.

Lid sinds

13 jaar 3 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker
  • Pluslid
  • Moderator

Ik schrijf beschouwend en waarnemend, vind ik zelf

Er is een verschil tussen beschouwend en waarnemend schrijven en als schrijver de personages beschouwend en waarnemend laten zijn. 

In jouw tekst vloeien ze in elkaar over: de personages kijken en zien en dan lopen ze terug en kijken weer. Dat ziet eruit/leest als die papieren figuurtjes die je aan een stokje plakt en voor een geïmproviseerde poppenkast voor een decor heen en weer laat bewegen.

Als schrijver beschouw je en neem je de personages waar: er gebeurt niets met hen, behalve dat je ze heen en weer schuift binnen de gegeven setting. Daarom leeft de tekst niet - hoewel die niet slecht geschreven is.

Met het paard daarentegen gebeurt wel van alles; waar komt het paard ineens vandaan? En hebben ze het  massa's bilzekruid gegeven dat het zich zo vreemd gedraagt? O nee, ik zie het al: het heeft zandkoliek - waarschijnlijk heb je dat in een eerder stuk uitgebreider beschreven; met één woordje lees je er gemakkelijk overheen. Overigens leeft dat dode paard in zijn eentje veel meer dan Gerrit Asjes en Wigbout samen.