Lid sinds

1 jaar 9 maanden

Rol

[Historische roman] [fragment] De duivel in Geyn

Context
De naam van mijn woonplaats Nieuwegein is afgeleid van het middeleeuwse stadje Geyn. Nadat deze nederzetting ten gronde is gegaan door voortdurende plunderingen en verwoestingen is er een klooster gevestigd. Van dat klooster zijn documenten bewaard gebleven. Op basis daarvan werk ik aan een roman: deels historisch kloppend, deels fictief.

Onderstaand stuk is de eerste helft van de proloog: het luidt de ondergang in van het stadje. Waar ik een beetje mee worstel is de verhouding vertellen / laten gebeuren. Er wordt aardig wat uitgelegd, wat voor lezers die vooral de geschiedenis willen snappen belangrijk kan zijn. Voor de lezer die gewoon een lekker verhaal wil kan het teveel zijn. En dus ben ik benieuwd naar hoe jullie dit stuk ervaren. Te veel tell? Of kan het wel?

Fragment

 

Winter 1333

Het is Elias die de soldaten als eerste hoort. In de vrieskou dragen geluiden ver. En koud is het. Het water van de gracht dat Geyn omringt is dik bevroren. Dat geldt niet voor de het kanaal dat het kleine stadje dwars doormidden snijdt. Deze vaarroute vanaf de Hollandse IJssel naar Utrecht wordt zo goed en kwaad als het gaat bevaarbaar gehouden. Zomer of winter, zon of vorst, Utrecht moet bevoorraad kunnen worden. Handel luistert slecht naar het weer. Over die bevroren gracht konden Elias en zijn beste vriend Gerritje zich makkelijk uit de voeten maken. Geen poort of brug die stiekem genomen hoeft te worden, maar gewoon over het ijs naar de overkant. Daar, in de polder, gooien ze sneeuwballen naar elkaar en schoppen ze tegen bomen, zodat de vers gevallen sneeuw een tweede tocht naar de grond maakt. Hun wangen gloeien van de kou en pret. Ze zitten net onder een boom uit te hijgen als Elias de arm van Gerritje vastpakt.
“Sssst, stil eens.”
Gehinnik van paarden, rammelend ijzer, barse stemmen. Ook al is hij nog geen tien, Elias begrijpt dat wat er nadert alleen maar onheil kan betekenen. Hij heeft genoeg verhalen gehoord en soldaten gezien.
"We moeten terug," fluistert hij. Gerritje begint te lachen, tot hij de angstige ogen van zijn vriendje ziet. "Daar, verderop. Soldaten," vult Elias aan. Gerritje houdt zijn hoofd schuin en steekt zijn oor in de lucht. Nu hoort hij het ook. Geschrokken keert hij zich naar Elias.
"De onze misschien?" Elias schudt zijn hoofd.
"Deze komen uit de richting van Vreeswijk. Die zijn Hollands, zegt mijn vader."
Gerritje heeft geen flauw idee. Zijn ouders praten nooit over politiek. Als timmerman maakt zijn vader lange dagen. Wie hem werk geeft maakt hem niets uit. Er moet brood op de plank komen. Zijn moeder zorgt ondertussen voor hem en zijn zeven broers en zussen.
"Waar gaan ze naar toe?" vraagt hij. Elias is zoon van de schout en weet dat soort dingen veel beter dan hij. "Zouden ze naar Oudegein gaan?" Die verdedigingstoren staat een paar honderd meter ten noorden van Geyn. Elias schudt zijn hoofd.
"Oudegein is toch verwoest, Gerrit," fluistert hij. Utrecht had de Hollanders steeds verder op zien rukken. Vianen en IJsselstein waren al Hollands en een jaar geleden is ook Vreeswijk in hun handen gevallen. Net daarvoor had de Utrechtse bisschop, die chronisch geldgebrek had, kasteel Oudegein aan diezelfde Hollanders te leen gegeven. Daarmee hadden de Hollanders een strategische positie tussen Geyn en Utrecht in verworven. Bang dat de Hollanders hun handel nog meer zouden gaan controleren, hadden mannen van de Utrechtse gilden kortgeleden Oudegein overvallen en de Hollanders die daar verbleven gevangen genomen. Het kasteel was daarna in brand gestoken. De vlammen waren vanuit Geyn te zien geweest.
De geluiden zijn inmiddels dichtbij gekomen. Gerritje staart zijn vriend aan. Angst rommelt in zijn buik en borst.
"Maar misschien komen ze praten? Wat vragen of zo?"
“Nee joh. Zo vroeg en het zijn er veel." Elias krabbelt overeind en duikt gelijk weer ineen. Hij kijkt naar zijn vriendje en legt zijn vinger op zijn mond. "Vlakbij," fluistert hij. De twee jongens liggen plat op hun buik in de sneeuw. De natte kou van de sneeuw onder hen voelen ze nauwelijks. Ze steken hun hoofd iets overeind en zien zo’n tien meter verderop de soldaten lopen. Zes van hen zijn te paard, de rest is voetvolk. Alles bij elkaar een dertigtal man. Ze dragen knuppels, bijlen en zwaarden. Twee van hen hebben brandende fakkels bij zich. De groep trekt twee lege karren met zich mee.
"Wat nu?" vraagt Gerritje zodra de mannen gepasseerd zijn.
Elias haalt zijn schouders op.
"Nu niets."
Op afstand volgen ze de soldaten, voorzichtig, zodat ze niet gezien worden. Na vijf minuten bereikt de colonne Geyn. De gracht die dertig jaar eerder door de burgers van Geyn is gegraven om aanvallers te weren, geeft hen nu juist gemakkelijk toegang tot het stadje. De stadsrechten uit 1295 gaf Geyn het recht om een stadsmuur te bouwen. Maar daar was geen geld voor.
De soldaten zwenken in drie groepen uiteen en steken de bevroren gracht over. Elias en Gerritje zitten ineengedoken achter wat struikgewas. De twee lege karren zijn op de oever blijven staan. Een knaap staat erbij en tuurt naar de stad. Uit de stad klinkt een schreeuw, een stem die Elias diep vertrouwd is.
"Vader!" Hij springt overeind en rent richting Geyn. Gerritje twijfelt een paar tellen en volgt dan zijn vriend.

 

Lid sinds

11 jaar 10 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

Oef, dit gaat alle kanten op. Ik hou van historische romans en historische details. Maar wel graag in een logische volgorde.

Je eerste alinea slingert van soldaten, naar de winter, naar het grachtenplan van de stad Geyn, naar zomer- en winterhandel. Wanneer je over Gerritje begint denk ik dat hij en Elias zich uit de voeten maken voor die soldaten van de eerste regel, maar ze blijken sneeuwballen te gaan gooien... Elk onderwerp komt maar een beetje uit de lucht vallen.

Ook de dialoog loopt niet, omdat je om de zin iets wilt uitleggen over hun leven. Daardoor is de resulterende tekst geen vloeiende dialoog en ook geen invoelbare uitleg over het leven.

Maar advies: haal de dingen uit elkaar. Schrijf een scène. Schrijf een dialoog. Schrijf een uiteenzetting over het land, de handel of de lokale geografie. Doe één van die dingen tegelijk, niet allemaal door elkaar.

Dan nog even streng zijn: je tekst is erg slordig. Verkeerde woorden, woorden te veel...

- In de vrieskou dragen geluiden ver. - Geluid wordt gedragen. Geluid draagt niet zelf.

- de gracht dat[die] Geyn omringt - De singel, dus.

- dik bevroren - Het ijs is dik of het water is tot diep bevroren. Geen dik water.

- de het kanaal

- Alles bij elkaar een dertigtal man. - Dertig man, of een dertigtal.

- De stadsrechten uit 1295 gaf[gaven]

Lid sinds

13 jaar 2 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker
  • Pluslid
  • Moderator

Als je verhaal echt een proloog nodig heeft, wat is dan de essentie ervan? Kun je die in een paar zinnen weergeven?

Lid sinds

1 jaar 9 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

EDIT: met Safari kan ik inloggen, met Chrome niet.

Sinds vrijdag kan ik met mijn laptop niet meer inloggen (ik schrijf dit nu op mijn telefoon). De website zegt dat JavaScript uit staat in de browser, maar dat is niet zo: drie browsers geprobeerd, overal is JavaScript toegestaan, maar de website weigert. Kan iemand dit doorgeven aan de techneuten achter deze site?

Lid sinds

1 jaar 9 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

@Diana: dank, dat was mijn vraag. Uiteraard was ik zelf ook niet gelukkig met de opbouw van het stuk, je feedback maakt dat des te duidelijker. Inmiddels heb ik een herschreven versie waarin de twee elementen (het micro met de twee jongens, het macro van de achtergronden) uit elkaar zijn gehaald. 

@Therese: goede vraag. Het hoofdverhaal begint in 1432, honderd jaar nadat Geyn op een vreselijke manier is verwoest. In de proloog wil ik kort de geschiedenis van het stadje vertellen. Ik denk dat dat de lezer helpt met het verhaal beter te begrijpen. 

Lid sinds

1 jaar 9 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

Herschreven:
Is dit beter leesbaar? In de huidige versie is dit ongeveer 1/3e van de proloog. Als de scene is afgelopen, volgt e.e.a. over de achtergrond van Geyn.

 

Januari 1333

Het is vroeg in de ochtend en bitter koud. Gisteren en vannacht heeft het flink gesneeuwd. Op de gracht die het stadje Geyn omringt ligt een dik pak ijs. Elias en zijn beste vriend Gerritje hoeven geen poort of brug te nemen om de weilanden die Geyn omringen te bereiken, ze steken met gemak de gracht over. Straks moet Gerritje zijn vader helpen in de werkplaats, voor die tijd willen de vrienden genieten van de winterse wereld, die na de uitbundige sneeuwval wonderlijk wit gekleurd is. Ze gooien sneeuwballen naar elkaar en schoppen tegen bomen, zodat de vers gevallen sneeuw een tweede tocht naar de grond maakt. Hun wangen gloeien van de kou en pret.
Ze zitten onder een boom uit te hijgen als Elias schrikt en de arm van Gerritje vastpakt. “Sssst, stil eens.” In de verte klinkt gehinnik van paarden, rammelend ijzer, barse stemmen. Ook al is hij nog geen tien, Elias begrijpt dat wat er nadert alleen maar onheil kan betekenen. "We moeten terug," fluistert hij. Gerritje begint te lachen, tot hij de angstige ogen van zijn vriendje ziet. "Daar, verderop. Soldaten.”
Gerritje houdt zijn hoofd schuin. Nu hoort hij het ook. Geschrokken keert hij zich naar Elias. "De onze misschien?"
Elias schudt zijn hoofd. "Deze komen uit de richting van Vreeswijk. Die zijn Hollands, zegt mijn vader."
Gerritje heeft geen flauw idee. Zijn ouders praten nooit over politiek. Als timmerman maakt zijn vader lange dagen. Er moet brood op de plank komen. Wie hem werk geeft maakt hem niets uit. "Waar gaan ze naar toe?" vraagt hij. Elias is zoon van de schout en weet dat soort dingen veel beter dan hij. “Misschien vallen ze het kasteel aan?”
Elias schudt zijn hoofd. "Oudegein is toch verwoest, Gerrit," fluistert hij.
“Ja, da’s waar ook.” Hij herinnert zich de vlammen van het brandende kasteel. Vanuit Geyn waren die goed te zien. De geluiden zijn inmiddels dichtbij gekomen. Gerritje staart zijn vriend aan. Angst rommelt in zijn buik en borst. “Misschien komen ze praten? Wat vragen of zo?"
“Nee joh. Zo vroeg en het zijn er veel." Elias krabbelt overeind en duikt gelijk weer ineen. Hij legt zijn vinger op zijn mond. "Vlakbij," fluistert hij. De twee jongens liggen plat op hun buik. De natte kou van de sneeuw onder hen voelen ze nauwelijks. Ze steken hun hoofd iets overeind en zien zo’n tien meter verderop soldaten langs hen heen lopen. Zes van hen zijn te paard, de rest is voetvolk. Zo’n dertig man totaal, met knuppels, bijlen en zwaarden. Twee mannen hebben brandende fakkels bij zich. De groep trekt twee grote lege karren met zich mee.
"Wat nu?" vraagt Gerritje zodra de mannen gepasseerd zijn.
Elias haalt zijn schouders op. “Weet ik veel. Kom op, we gaan achter ze aan.”
Op afstand volgen ze de soldaten, voorzichtig, zodat ze niet gezien worden. Na tien minuten bereikt de colonne Geyn. De gracht die dertig jaar eerder door de burgers is gegraven om aanvallers te weren, geeft hun vijand vandaag gemakkelijk toegang tot het stadje. De soldaten zwenken in drie groepen uiteen en steken de bevroren gracht over. Elias en Gerritje zitten ineengedoken achter het struikgewas. De twee lege karren zijn op de oever blijven staan. Een knaap staat erbij en tuurt naar de stad, terwijl hij in zijn gevouwen handen blaast. Uit de stad klinkt een schreeuw, een stem die Elias vertrouwd in de oren klinkt. "Vader!" Hij springt overeind en rent richting Geyn. Gerritje twijfelt een paar tellen en volgt dan zijn vriend.
De soldaten die ze hebben gezien worden inmiddels vergezeld door een ongeveer even grote groep mannen die van de andere kant is gekomen. Geyn is van twee kanten in de tang genomen. Tegen de tijd dat Elias zijn vader vindt staan in het westen van de stad de eerste woningen al in brand. De schout staat bij de parochiekerk en is in een verhit gesprek verwikkeld met een van de ruiters. Elias en Gerritje blijven op een paar meter afstand staan.

 

Lid sinds

11 jaar 10 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

Hoi ManmetPen,

Ja, veel prettiger. De scène vloeit nu vooruit.

Wel vraag ik me met Thérèse af wat het doel van deze proloog is. Het is zo lang, en erg mat geschreven. Als dit niet het begin van het verhaal is - en de personages niet je hoofdpersonages zijn - weet ik niet waarom ik dit allemaal moet lezen. Wat moet ik met Elias en Gerritje?
Als het je erom te doen is dat de lezer weet dat Geyn verwoest is, zou je dat net zo goed in twee regels kunnen doen. Ik denk zelfs dat je dat meer impact kunt meegeven dan de huidge versie (onder het mom kort maar krachtig).

Ik weet dat dat wat bot klinkt, excuus daarvoor.

 

Lid sinds

1 jaar 9 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

>> zo lang, erg mat geschreven

Ik kan vragen wat maakt dat je dit vind. Laat ik dat niet doen.
Wat ik probeer te doen is iets wat natuurlijk in een enkele regel samengevat kan worden een gezicht te geven. Uiteraard is dat geen noodzaak.

>> waarom moet ik dit allemaal lezen

Je hebt gelijk, dit is inderdaad bot. Je moet van mij niets. Desondanks of juist daarom waardeer ik je inzichten, dank voor je tijd en energie!
 

Lid sinds

11 jaar 10 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

Dankjewel dat je het goed opvat :)

>> Ik kan vragen wat maakt dat je dit vind. Laat ik dat niet doen.

Ik kan het dan toch niet laten.

Wat ik bijvoorbeeld mis, is dreiging. Het gebeuren van dit stuk is in essentie dreigend. Maar het narratief lijkt er steevast vanuit te gaan dat Elias en Gerritje niks zal overkomen. Daarom voel ik de dreiging niet mee.

"Wat nu?" vraagt Gerritje zodra de mannen gepasseerd zijn. - De jongen die muisstil in de sneeuw liggen te hopen dat de soldaten hen voorbij zullen lopen, had spannend kunnen zijn. Maar dit moment sla je over. Het eerste wat ik weer van de twee jongens zie, is dat de soldaten hen veilig gepasseerd zijn.

Op afstand volgen ze de soldaten, voorzichtig, zodat ze niet gezien worden. - De laatste zinsnede geeft meteen al aan dat ze inderdaad dus niet gezien gaan worden. Dat had je ook in het midden kunnen laten.

Tegen de tijd dat Elias zijn vader vindt... - De zoektocht sla je hiermee over. Alle angst voor zijn vader, de gedachte dat hem iets overkomen kan zijn, daar springt het narratief overheen.

Wat ik je aan zou raden is om meer in de gedachtenwereld van je personage te kruipen, en minder in vogelvlucht prijs te geven. En vooral de mogelijkheid openlaten dat het op enig moment misgaat. Dan ga ik met hem meevoelen, ben ik bang voor de dingen waar hij bang voor is, en opgelucht wanneer hij opgelucht is.

Lid sinds

13 jaar 2 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker
  • Pluslid
  • Moderator

Wat ik probeer te doen is iets wat natuurlijk in een enkele regel samengevat kan worden een gezicht te geven. Uiteraard is dat geen noodzaak.

Dat is op zich een goed streven - de (mijn) vraag is waarom je hiervoor kiest. Wat voegt een best wel lange proloog toe aan wat je eigenlijk wilt vertellen in het boek?
Uit de stad klinkt een schreeuw, een stem die Elias vertrouwd in de oren klinkt. "Vader!" (...) Tegen de tijd dat Elias zijn vader vindt staan in het westen van de stad de eerste woningen al in brand. De schout staat bij de parochiekerk en is in een verhit gesprek verwikkeld met een van de ruiters. Elias en Gerritje blijven op een paar meter afstand staan.

Dus Elias vindt zijn vader en blijft op een paar meter afstand van de schout bij de parochiekerk staan? Niet bij de vader? Hoe is diens toestand? Hij schreeuwde - dan zal er toch iets aan de hand zijn. 

Lid sinds

1 jaar 9 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

Dus Elias vindt zijn vader en blijft op een paar meter afstand van de schout bij de parochiekerk staan? Niet bij de vader? Hoe is diens toestand? Hij schreeuwde - dan zal er toch iets aan de hand zijn. 

Uiteraard, alleen mag het proeflees-stuk maximaal 750 woorden zijn. Het vervolg van de scene:

 

Tegen de tijd dat Elias zijn vader vindt staan in het westen van de stad de eerste woningen al in brand. De schout staat bij de parochiekerk en is in een verhit gesprek verwikkeld met een van de ruiters. Elias en Gerritje blijven op een paar meter afstand staan.
"Wij zijn maar arme werklui,” zegt de schout. "Waarom doen jullie dit?"
De ruiter kijkt op hem neer. “Vazallen van Utrecht, dat zijn jullie," snauwt hij. "Dit is een boodschap voor de Utrechters, met de groeten van heer Willem van Duvenvoorde. Die papen hebben zijn schout bij Vreeswijk vermoord."
"Ga dan naar Utrecht!" roept de schout. "Ik weet het van Gijsbrecht Slijk, ik kende hem, het is vreselijk. Maar dat is al maanden geleden! En wat kunnen wij daar nou aan doen?"
“Dan nog wat. Utrecht heeft Hendrik Snoyenzoon gevangen. We willen hem terug."
"Dat zal ik de heren van Utrecht zeggen, mijn heer. Maar laat ons alstublieft met rust," smeekt de schout. Achter hem klinkt gegil uit een woning. De soldaten lopen huizen in en uit, hun armen vol met huisraad en andere bezittingen van de bewoners. Die kijken toe, de ogen groot van schrik.
De ruiter kijkt om zich heen en buigt zich voorover naar de schout.
"Wees verstandig, bemoei je er niet mee. We zijn niet uit op bloedvergieten. Maar morgen bestaat dit dorp niet meer." De schout schudt zijn hoofd, gromt in zijn keel en grijpt naar de teugels van het paard. Het dier schrikt, steigert en werpt zijn berijder af, die met een doffe klap op de bevroren grond beland.
"Hee!" klinkt het achter de rug van de schout. Een van de soldaten laat zijn buit vallen en trekt al rennend een zwaard uit zijn riem. De schout heeft zich pas half omgedraaid als het koude staal hem in zijn nek raakt. Hij grijpt naar de wond en zakt met verbaasde ogen door zijn knieën. Bloed gutst tussen zijn vingers door over zijn hand en arm.
Elias schreeuwt, wil naar zijn vader rennen. Gerritje grijpt hem vast en houdt hem tegen. "Niet doen," sist hij in het oor van Elias. "Je kunt je vader niet helpen." Hij slaat zijn armen om zijn vriend heen en draait hem van het brute schouwspel weg.

Een half uur later zijn de soldaten verdwenen, alles wat ook maar enige waarde heeft met zich meetorsend. Er zijn vier doden gevallen, waaronder de vader van Elias. Meer dan driekwart van de huizen staat in lichterlaaie. Het hout, leem en riet waarmee de schamele onderkomens gebouwd zijn bieden volop voeding aan de vlammenzee. Het enige gebouw dat de inferno zonder kleerscheuren doorstaat is de honderd jaar oude stenen kerk.

 

Lid sinds

1 jaar 9 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

Wat ik je aan zou raden is om meer in de gedachtenwereld van je personage te kruipen, en minder in vogelvlucht prijs te geven.

Zeker waar. Ik ga nadenken over wat ik wil met dit stuk. De verwoesting is waar het om draait, Elias en Gerritje zijn in zekere zin figuranten - maar ik snap dat hoe ik ze ingevuld heb het lastig maakt om mee te voelen, in te leven. Mijn idee was, in filmtermen gesproken, meer een high-over view van de twee knapen, leidend naar de clash waar de schout het leven laat en Geyn wordt platgebrand. Zoals ik al zei, dit is een stuk wat mij ook niet lekker zat/zit. Of ik maak het dieper (en mogelijk langer), of ik neem een andere afslag. Soms heb je externe ogen en een zweep nodig om in te zien wat er dan écht aan mankeert.

Lid sinds

13 jaar 2 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker
  • Pluslid
  • Moderator

Tegen de tijd dat Elias zijn vader vindt staan in het westen van de stad de eerste woningen al in brand. De schout staat bij de parochiekerk en is in een verhit gesprek verwikkeld met een van de ruiters. Elias en Gerritje blijven op een paar meter afstand staan.

Hiermee weten we nóg niet wat er met de vader is gebeurd, waarom hij schreeuwde, wat hij schreeuwde. Elias en Gerritje blijven op een paar meter afstand van de schout en een ruiter staan - maar schreeuwen luidt iets van een noodtoestand in; in schrijftermen is dat een belofte die je aan de lezer doet (iemand schreeuwt, váder schreeuwt, er is iets ergs gebeurd!, snel verder lezen om te weten wat dat is), maar de lezer blijft volkomen in het ongewisse.

Nadat ze een hele poos hebben staan luisteren naar die schout en die ruiter gaat de schout eraan. Pas dan:
Elias schreeuwt, wil naar zijn vader rennen. Gerritje grijpt hem vast en houdt hem tegen. "Niet doen," sist hij in het oor van Elias. "Je kunt je vader niet helpen."

En dan weet de lezer nog steeds niets ...