Lid sinds

2 jaar

Rol

[kasteelroman] Schuim der aarde: de val

Hoi, 

Al enige tijd ben ik bezig met een kasteelroman. Korte intro: Elisabeth, afgekort Lisa, gaat als gouvernante aan de slag in een afgelegen Schots kasteel. De kinderen en bediening zijn eerder vijandig naar haar toe en willen haar wegschrikken met spookverhalen. Iets waar ze weigert in mee te gaan. Toch gebeuren er de gekste dingen. Alsook nu, er is een sjaal verloren en tijdens een avondwandeling ziet ze iemand boven op de kantelen samen met een sjaal. Ondanks waarschuwingen gaat ze op onderzoek uit.  

Waar ik graag feedback over wil: 

-Uit ervaring weet ik dat mijn zinsbouw soms vreemd is. Hoe leest hij nu? 

- Soms vertel ik te veel. Is dat hier ook het geval? 

- Leest het aangenaam? 

-In dit stuk heb ik het gevoel dat er iets aan schort en ben ik niet zeker of de spanning er is. 

Fragment

 

Zichzelf vervloekend schopte ze tegen een kluitje gras. Zij en haar grote mond ook weer. Wanneer ging ze leren om te zwijgen op de momenten dat het ertoe deed? Haar blik gleed voor een laatste keer naar de kantelen boven en daar zag ze het. Een sjaal wapperde in de wind. Haar nieuwsgierigheid bedwong de waarschuwende stemmen in haar hoofd. Vastberaden liep ze alle gangen door tot ze de trap naar de kantelen vond. Haar moed was iets minder groot dan toen ze op de begane grond stond, maar ze wilde zich niet laten kennen en klom naar boven. De gangen waren vochtig en duidelijk zelden gebruikt. De houten deur naar buiten zwaaide krakend open en helemaal aan de andere kant zag ze een lange sjaal wapperen aan de gekrulde omheining. Dit kon niet anders dan de sjaal zijn die kwijt was. Met ferme pas liep ze tot aan de andere kant en dan pas durfde ze rond zich heen te kijken. Het uitzicht was angstaanjagend en adembenemend tegelijkertijd. De woeste golven beukten met hun witte kracht tegen de koppige kliffen. Rondom het kasteel golfde het lange gras onder de volle maan. Ondanks de wind was de hemel helder en fonkelden er honderden sterren boven haar. Glimlachend keek ze omhoog. Ze begreep niet waarom het haar werd afgeraden om hier weg te blijven. Het was een magische plek, ondanks de hoogte. Niet veel later voelde ze hoe de koude zich in haar lichaam drong en spijtig begon ze de stof los te wrikken. Gniffelend beeldde ze zich het gezicht van de kinderen in als ze het morgen op tafel neer zou leggen. Dachten ze nu werkelijk dat ze haar hiermee bang konden maken? De laatste knoop was extra stevig en ze kreeg hem niet los. Gefrustreerd begon ze er aan te trekken in de hoop dat het wat losser zou komen, maar in de plaats daarvan zag ze het cement wat loskomen aan de kant waar het in de muur gemetseld was. Geschrokken ging ze wat voorzichtiger te werk, tot het moment dat ze voelde dat hij wat loskwam. Verheugd wrikte ze er een laatste keer aan. Haar enthousiasme was echter niet zo slim, terwijl ze de sjaal van het ijzer wilde trekken verschoof er een steen en viel het hek naar beneden. Iets te laat liet ze de stof los. In doodsangst gleed ze langs het dak naar beneden en kon ze zich nog net vasthouden aan een uitstekend puntdakje. Haar voeten en benen bungelden in de zwarte duisternis. Tranen van angst vertroebelden haar zicht. ‘Help!’ Gilde ze. ‘Help!’ De metalen pin die ze vasthad sneed in haar handen en ze wist dat ze het niet lang vol zou houden. Haar hand werd glibberig van het bloed of angstzweet. Ze durfde niet te kijken. Panisch bleef ze gillen om hulp, maar ze vreesde voor het ergste. Niemand zou haar komen redden. Morgenvroeg zou er iemand haar beneden aan de voet van het kasteel vinden en zich afvragen wie er zo achterlijk was geweest om in de nacht boven op de kantelen te gaan staan. Met haar laatste krachten probeerde ze zichzelf op te trekken en haar voeten over de dakgoot te zwaaien, maar ze gleed weer weg op het mos en de schok ging door haar armen. Dit is het einde, galmde door haar hoofd. Ik ga dood. De berusting die haar overkwam deed haar kalmeren en de tranen droogden op. Ze was niet van plan om zelfmoord te plegen en hoopte nog steeds vurig dat iemand haar zou komen redden. Toch leek de stilte van de dood haar niet af te schrikken.

‘Beweeg je niet!’ De stem kwam uit het niets en verschrikt liet ze gillend los. Ruw werd ze terug tegen het dak gedrukt en door een raam naar binnen getrokken. Het gebeurde allemaal in een wirwar en voor ze het wist lag ze op de grond met iemand onder haar. Stijf van schrik bleef ze liggen. De persoon onder haar ging rechtzitten en nam haar vast in een klemmende greep: ‘Ben jij helemaal gek geworden! Wat in hemelsnaam bezielde je om op het dak te klimmen terwijl er uitdrukkelijk werd gezegd dat niet te doen!’ Het was haar baas en hij schudde haar zo hard door elkaar dat haar tanden er van klapperden.

‘De sjaal! Ze begon onbedaarlijk te huilen en bibberen. ‘Ik wilde gewoon de sjaal van Ailie halen.’

‘Je bent een ontzettende idioot! Wie riskeert er nu zijn leven voor een sjaal?’ Haar handen werden ruw vastgenomen en hij keek naar haar handpalmen. ‘Dat zijn diepe sneeën. Ga hier zitten.’ Hij nam haar op en zette haar in een zetel dicht bij een brandende haard. Verward keek ze om zich heen terwijl ze hem de deur zag uit lopen. Ze bevond zich in een slaapkamer; donker en zwaarmoedig. Instinctief wist ze dat het de zijne was.

Lid sinds

6 jaar 3 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

-Uit ervaring weet ik dat mijn zinsbouw soms vreemd is. Hoe leest hij nu? 

Wat mij betreft redelijk. Sommige zinnen voelen niet 'logisch', sommige zinnen kloppen niet helemaal ("Ze begreep niet waarom het haar werd afgeraden om hier weg te blijven" -> afgeraden om weg te blijven?).

Een ander puntje qua zinsbouw is dat het vaak voelt als een aaneenschakeling van losse zinnen, ipv als een verhaal. Dat klinkt waarschijnlijk nogal wazig, maar je lijkt de zinnen niet met elkaar te verbinden. Dat maakt dat het soms nogal staccato leest, maar ook dat het verhaal niet tot leven komt omdat het voelt als een opsomming van losstaande feitjes.
Wat voorbeelden:
- 'Haar blik gleed voor een laatste keer naar de kantelen boven en daar zag ze het. Een sjaal wapperde in de wind.' Dit leest als twee losse zinnen, terwijl ze direct met elkaar verbonden zijn: Haar blik gleed voor een laatste keer naar de kantelen boven en daar zag ze het: een sjaal wapperde in de wind.

- 'Het uitzicht was angstaanjagend en adembenemend tegelijkertijd. De woeste golven beukten met hun witte kracht tegen de koppige kliffen. Rondom het kasteel golfde het lange gras onder de volle maan. Ondanks de wind was de hemel helder en fonkelden er honderden sterren boven haar. Glimlachend keek ze omhoog. Ze begreep niet waarom het haar werd afgeraden om hier weg te blijven.'
Als je dit leest voelt het als een random opsomming, terwijl het eigenlijk allemaal verbonden is: de hp kijkt om zich heen.

Nou is onderstaande absoluut niet perfect, maar puur een voorbeeldje om te laten zien hoe je de zinnen wat meer met elkaar zou kunnen verbinden:
Het uitzicht was angstaanjagend en adembenemend tegelijkertijd. Zelfs vanaf deze hoogte kon ze zien hoe de woeste golven tegen de kliffen beukten, en rondom het kasteel golfde het lange gras onder de volle maan. Glimlachend keek ze omhoog. De hemel was helder en honderden sterren fonkelden boven haar.
Een serene rust overspoelde haar, en ze begreep niet waarom het werd afgeraden om hier te komen.

- Soms vertel ik te veel. Is dat hier ook het geval? 

Ja en nee. Er is redelijk veel 'tell' dat ook 'show' had kunnen zijn, en er zijn redelijk veel uitvoerige details die niet echt nodig/noodzakelijk zijn. Aan de andere kant ontbreekt er voor mijn gevoel ook best veel. Ik zal hier dadelijk op terug komen.

- Leest het aangenaam? 

Door de punten die ik benoem leest het voor mij persoonlijk nog niet heel aangenaam, maar ik denk dat je stuk na wat schaafwerk zeker wel de potentie heeft om aangenaam te lezen.

-In dit stuk heb ik het gevoel dat er iets aan schort en ben ik niet zeker of de spanning er is. 

Wat mij betreft ligt dat voor een heel groot deel aan het verteltempo. Je gaat (nogmaals: wat mij betreft) véél te snel door sommige belangrijke stukken heen, terwijl je op andere stukken juist uitgebreid de tijd neemt. Dit zorgt voor een discrepantie tussen de verteltijd en de vertelde tijd.

Ik zal proberen te illustreren wat ik bedoel aan de hand van een voorbeeld:

Haar blik gleed voor een laatste keer naar de kantelen boven en daar zag ze het. Een sjaal wapperde in de wind. Haar nieuwsgierigheid bedwong de waarschuwende stemmen in haar hoofd. Vastberaden liep ze alle gangen door tot ze de trap naar de kantelen vond

Hier loopt de hp op het ene moment nog buiten, het volgende moment ziet ze een sjaal wapperen, en weer het volgende moment is ze al alle gangen door en vindt ze de trap naar de kantelen. Voor de lezer gaat dit véél te snel! Ik loop in mijn hoofd nog tegen kluitjes gras aan te trappen en besef me nog maar net dat de hp de sjaal heeft gezien, en jij staat al op de trap. Ik heb me nog helemaal niet kunnen verplaatsen in de gedachtegang van de hp, in haar gevoel erbij, haar motivatie, het vormen en het uitvoeren van een plan. Wat gebeurt er? Wat houdt die nieuwsgierigheid in, wat zeggen de waarschuwende stemmen in haar hoofd, waarom is ze vastberaden? Je hoeft niet alles voor te kauwen, maar de lezer heeft wel iets nodig, zeker bij iets dat essentieel is voor het verhaal.

De houten deur naar buiten zwaaide krakend open en helemaal aan de andere kant zag ze een lange sjaal wapperen aan de gekrulde omheining. Dit kon niet anders dan de sjaal zijn die kwijt was. Met ferme pas liep ze tot aan de andere kant en dan pas durfde ze rond zich heen te kijken. Het uitzicht was angstaanjagend en adembenemend tegelijkertijd. De woeste golven beukten met hun witte kracht tegen de koppige kliffen. Rondom het kasteel golfde het lange gras onder de volle maan. Ondanks de wind was de hemel helder en fonkelden er honderden sterren boven haar. Glimlachend keek ze omhoog. Ze begreep niet waarom het haar werd afgeraden om hier weg te blijven. Het was een magische plek, ondanks de hoogte. Niet veel later voelde ze hoe de koude zich in haar lichaam drong en spijtig begon ze de stof los te wrikken.

In de vorige super korte alinea vlieg je in een paar woorden van a naar b, terwijl daar eigenlijk best veel gebeurt en dat qua tijdsbestek ook wel even zal duren (buiten zijn, de sjaal zien, daar van alles bij voelen en denken, besluiten naar de sjaal toe te gaan, de gangen van het kasteel doorlopen, de trap bereiken). In bovenstaande alinea heb je een stukje scène dat eigenlijk qua vertelde tijd veel korter is (de deur open doen en naar de sjaal toe lopen), maar waar de verteltijd (de tijd die de lezer nodig heeft om je fragment te lezen) véél langer is.

Nou wil ik niet zeggen dat je geen details en omschrijvingen mag geven (sowieso ga ik niet zeggen wat wel of niet mag ;) ), maar door het grote verschil krijg ik het gevoel buiten het verhaal te staan ipv het met de hp mee te beleven. Het zorgt dat ik niet het gevoel krijg in haar hoofd te zitten, waardoor ook de spanning niet overkomt.

Een ander aandachtspunt qua leesbaarheid en spanningsopbouw dat ook te maken heeft met het tempo is het ontbreken van alinea's. Je fragment begint met 1 ontzettend lange alinea, zonder returns en witregels, terwijl het eigenlijk uit meerdere scènes bestaat. Dit benadrukt nog eens extra dat vlugge, gejaagde dat ik net met de eerste quote al liet zien. Je geeft de lezer weinig tijd om mee te gaan met het verhaal.

Wederom ter illustratie (slechts een voorbeeld):

Zichzelf vervloekend schopte ze tegen een kluitje gras. Zij en haar grote mond ook weer. Wanneer ging ze leren om te zwijgen op de momenten dat het ertoe deed?
Haar blik gleed voor een laatste keer naar de kantelen boven en daar zag ze het. Een sjaal wapperde in de wind. Haar nieuwsgierigheid bedwong de waarschuwende stemmen in haar hoofd.

Vastberaden liep ze alle gangen door tot ze de trap naar de kantelen vond. Haar moed was iets minder groot dan toen ze op de begane grond stond, maar ze wilde zich niet laten kennen en klom naar boven. De gangen waren vochtig en duidelijk zelden gebruikt.
De houten deur naar buiten zwaaide krakend open en helemaal aan de andere kant zag ze een lange sjaal wapperen aan de gekrulde omheining. Dit kon niet anders dan de sjaal zijn die kwijt was. Met ferme pas liep ze tot aan de andere kant en dan pas durfde ze rond zich heen te kijken. Het uitzicht was angstaanjagend en adembenemend tegelijkertijd. De woeste golven beukten met hun witte kracht tegen de koppige kliffen. Rondom het kasteel golfde het lange gras onder de volle maan. Ondanks de wind was de hemel helder en fonkelden er honderden sterren boven haar. Glimlachend keek ze omhoog. Ze begreep niet waarom het haar werd afgeraden om hier weg te blijven. Het was een magische plek, ondanks de hoogte.
Niet veel later voelde ze hoe de koude zich in haar lichaam drong en spijtig begon ze de stof los te wrikken. Gniffelend beeldde ze zich het gezicht van de kinderen in als ze het morgen op tafel neer zou leggen. Dachten ze nu werkelijk dat ze haar hiermee bang konden maken? De laatste knoop was extra stevig en ze kreeg hem niet los. Gefrustreerd begon ze er aan te trekken in de hoop dat het wat losser zou komen, maar in de plaats daarvan zag ze het cement wat loskomen aan de kant waar het in de muur gemetseld was. Geschrokken ging ze wat voorzichtiger te werk, tot het moment dat ze voelde dat hij wat loskwam.

Verheugd wrikte ze er een laatste keer aan. Haar enthousiasme was echter niet zo slim, terwijl ze de sjaal van het ijzer wilde trekken verschoof er een steen en viel het hek naar beneden. Iets te laat liet ze de stof los. In doodsangst gleed ze langs het dak naar beneden en kon ze zich nog net vasthouden aan een uitstekend puntdakje. Haar voeten en benen bungelden in de zwarte duisternis.
Tranen van angst vertroebelden haar zicht. ‘Help!’ Gilde ze. ‘Help!’ De metalen pin die ze vast had sneed in haar handen en ze wist dat ze het niet lang vol zou houden. Haar hand werd glibberig van het bloed of angstzweet. Ze durfde niet te kijken. Panisch bleef ze gillen om hulp, maar ze vreesde voor het ergste. Niemand zou haar komen redden. Morgenvroeg zou er iemand haar beneden aan de voet van het kasteel vinden en zich afvragen wie er zo achterlijk was geweest om in de nacht boven op de kantelen te gaan staan. Met haar laatste krachten probeerde ze zichzelf op te trekken en haar voeten over de dakgoot te zwaaien, maar ze gleed weer weg op het mos en de schok ging door haar armen.
Dit is het einde, galmde door haar hoofd. Ik ga dood. De berusting die haar overkwam deed haar kalmeren en de tranen droogden op. Ze was niet van plan om zelfmoord te plegen en hoopte nog steeds vurig dat iemand haar zou komen redden. Toch leek de stilte van de dood haar niet af te schrikken.

Zonder dat er daadwerkelijk wat veranderd is aan je tekst, maakt dit het tempo al heel anders.

Dan nog een laatste punt wat betreft de spanning: wat het voor mij persoonlijk ook wat lastig maakt om spanning te voelen is dat ik vaak niet snap wat er gebeurt.
De hp staat op de kantelen. DIT is hoe ik kantelen ken: een vlak stuk grond (kan smal of breed zijn), met een muur van afwisselend hoge en lage delen. Nou kan je natuurlijk óp zo'n ding klimmen, dan heb je aan de ene kant dat vlakke stuk grond, aan de andere kant meestal een flinke afgrond (hoge, rechte muur).
In mijn hoofd staat ze dus gewoon op de vlakke grond (Ik lees nergens dat ze de muur op is geklommen). Dan zeg je: 'Iets te laat liet ze de stof los. In doodsangst gleed ze langs het dak naar beneden en kon ze zich nog net vasthouden aan een uitstekend puntdakje.' En dat snap ik dus niet. Waar komt dat dak opeens vandaan? Hoezo glijdt ze naar beneden toe? Misschien ligt het aan mij hoor, maar ik volg het niet.
Dan komt dit: '‘Beweeg je niet!’ De stem kwam uit het niets en verschrikt liet ze gillend los. Ruw werd ze terug tegen het dak gedrukt en door een raam naar binnen getrokken.' Hier ben je me echt kwijt. Tegen het dak gedrukt? Door het raam getrokken? Hoe dan? Nogmaals, misschien ligt het aan mij, maar ik kan hier geen beeld bij vormen.

Ik hoop dat ik een beetje duidelijk heb kunnen maken wat ik bedoel en dat je er wat aan hebt, mocht je nog vragen hebben hoor ik het graag!

Lid sinds

2 jaar

Rol

  • Gewone gebruiker

Als antwoord op door Imke83

Dankjewel voor je uitvoerige reactie. :-) 

In mijn hoofd zijn kantelen stukken 'terras' bovenop het dak van een kasteel, die toegankelijk zijn door een deur. Soms gaat dit met omheiningen en soms met muren. In voorgaande stukken werd het kasteel met zijn kastelen al wel omschreven en leek het me stom om het hier opnieuw uit te leggen. 

Leuk dat je mij op enkele stukken hebt gewezen die bij nader inzien inderdaad nogal onduidelijk zijn. Toch weet ik niet zo goed hoe ik dat dan wel duidelijk kan maken. Neem nu bijvoorbeeld het stuk waar ze aan het dak hangt. Het geluk wilde dat ze naast een uitstekend raam is gegleden, maar hoe kan je zoiets benoemen zonder meteen een gevoel te geven dat ze daar even door kan klimmen. Tenzij ik het zo schrijf dat ze wel weet heeft van het raam en zich daar dan ook op focust. Misschien is dat beter.

Dankjewel in elk geval voor al je info. Ik ga het herwerken en deel het hieronder nog eens om te zien of het dan beter leest. :-D  

 

Lid sinds

11 jaar 9 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

Kantelen zijn toch echt uitstekende stukken op de borstwering op een kasteelmuur. Google even wat plaatjes.

Wat jij omschrijft klinkt als, je zegt het zelf eigenlijk al... een dakterras. Misschien een balkon dat uit het dak steekt, afhankelijk van hoe je het precies voor je ziet.

Lid sinds

2 jaar

Rol

  • Gewone gebruiker

Als antwoord op door Imke83

Ik heb het aangepast en vraag me af of het nu beter leest. 

 

Zichzelf vervloekend schopte ze tegen een kluitje gras. Zij en haar grote mond ook weer. Wanneer ging ze leren om te zwijgen op de momenten dat het ertoe deed? Haar blik gleed voor een laatste keer naar de kantelen boven en daar zag ze iets wapperen in de wind. Haar nieuwsgierigheid bedwong de waarschuwende stemmen in haar hoofd.

Vastberaden liep ze naar binnen en zocht haar weg naar boven. Zover ze zich herinnerde van haar halve rondleiding moest ze aan de trappen rechts afslaan. Recht door de portrettengalerij, die haar nog steeds de rillingen over haar rug bezorgde. Deze keer was ze blij dat ze een olielamp mee had genomen. Niet veel later, na een doolhof aan gangen vond ze de trap naar de kantelen. Haar moed was iets minder groot dan toen ze op de begane grond stond, maar ze wilde zich niet laten doen en klom de laatste klim naar boven.

Op het einde van de trap zag ze een houten deur, die gelukkig niet op slot was. Krakend zwaaide hij open. De snerpend koude wind sneed in haar gezicht, maar al snel zag ze waar ze voor gekomen was. Helemaal aan de andere kant wapperde de lange sjaal in de wind. Dit kon niet anders dan de sjaal zijn die kwijt was. Met ferme pas liep ze tot aan de andere kant en dan pas durfde ze om zich heen te kijken. Het uitzicht was angstaanjagend en adembenemend tegelijkertijd. De woeste golven beukten met hun witte kracht tegen de koppige kliffen en rondom het kasteel golfde het lange gras onder de volle maan. Ondanks de wind was de hemel helder en fonkelden er honderden sterren boven haar. Glimlachend keek ze omhoog. Ze begreep niet waarom het haar werd aangeraden om hier weg te blijven. Het was een magische plek, ondanks de hoogte. Betoverd bleef ze enige tijd om zich heen kijken, maar al snel voelde ze de koude in haar lichaam dringen en spijtig begon ze de stof los te wrikken. Hij zat in een stevige knoop vast aan een oude vaandel aan de buitenkant van de stenen. Gniffelend beeldde ze zich het gezicht van de kinderen in als ze het morgen op de ontbijttafel neer zou leggen. Dachten ze nu werkelijk dat ze haar hiermee bang konden maken?

De laatste knoop was extra stevig en ze kreeg hem niet los. Gefrustreerd begon ze er aan te trekken in de hoop dat het wat losser zou komen, maar in de plaats daarvan voelde ze de stenen onder haar buik schuiven. Geschrokken ging ze wat voorzichtiger te werk. Onder haar zag ze nog twee meter dak met een dakkapel in het midden, bedekt onder een dikke laag mos. Het zag er gevaarlijk en glad uit. De sjaal liet los en verheugd wrikte ze er een laatste keer aan. In haar enthousiasme was de sjaal niet het enige dat ze lostrok. De stenen onder haar brokkelden af en vielen naar beneden. Iets te laat liet ze de stof los die nog vasthing aan de vallende stenen.

In doodsangst viel ze over de rand en gleed ze langs het dak naar beneden. Dankzij haar snelle reactie kon ze zich nog net vasthouden aan het uitstekende dakkapel. Haar voeten en benen bungelden in de zwarte duisternis. Paniek benam haar de adem en schor riep ze: ‘Help!’ De metalen pin bovenop de dakkapel die ze vasthad sneed in haar handen en ze wist dat ze het niet lang meer zou volhouden. Haar hand werd glibberig van het bloed of angstzweet. Ze durfde niet te kijken. Panisch bleef ze gillen om hulp, maar ze vreesde voor het ergste. Niemand zou haar komen redden. De kinderen sliepen aan de andere kant van het kasteel. Morgenvroeg zou er iemand haar beneden aan de voet van het kasteel vinden en zich afvragen wie er zo achterlijk was geweest om in de nacht boven op de kantelen te gaan staan.

Met haar laatste krachten probeerde ze zichzelf op te trekken en haar voeten over de dakgoot te zwaaien. In de hoop het raam te bereiken dat zich aan haar zijde bevond, maar ze gleed weer weg op het mos. Dit is het einde, galmde door haar hoofd. Ze ging dood. De berusting die haar overkwam deed haar kalmeren en de tranen van doodsangst droogden op. Ze hoopte nog steeds vurig dat iemand haar zou komen redden, toch leek de stilte van de dood haar niet af te schrikken.

‘Beweeg je niet!’ De stem kwam uit het niets en verschrikt liet ze gillend los.

Ze had zo de rand over geschoven, was het niet dat ze ruw terug door het raam naast haar naar  binnen werd getrokken. Het gebeurde allemaal in een wirwar en voor ze het wist lag ze op de grond met iemand onder haar.