Lid sinds

4 jaar 2 maanden

Rol

[YA/ dystopische fictie] Mijn eerste leven


Dit is een van de belangrijkste ‘scènes’ uit mijn (poging tot een) manuscript. Ik besef me dat er bij zo’n fragment nogal wat context ontbreekt, maar ik zou toch graag willen weten of het iets van emotie oproept, zij het positief of negatief. 
 

- Maakt het nieuwschierig? Zou u/jij hier meer van willen lezen? 

- Zijn er stukken die je meer of minder aanspreken?

- Klopt het? Zitten er taal-technische fouten in? Ik merk dat ik soms wel honderd keer een tekst kan herschrijven en alsnog over de domste fouten heen lees. 

- Hoe leest het LGBTQ-aspect van de tekst? Ik zou graag een genormaliseerd, natuurlijk overkomend perspectief willen bieden op een niet-heteronormatieve relatie.

- Is het te merken dat deze tekst origineel in het Engels is geschreven? 
 

Alvast hartelijk bedankt voor de feedback, ik waardeer het zeer! 

Fragment

 

Ze heeft de helm onder haar arm geklemd, haar haar wappert als een onderwaterplant. De dalende zon achter haar doet een gouden waas om haar hele, in vliegpak gehulde gestalte gloren. Tegen het decor van de schemerende avond lijkt ze een uit licht geknipt figuurtje. Ze is nog indrukwekkender dan ik me herinner. Ik denk aan de eerste keer dat ik haar zag. De rechte lijn van haar rug, de krommende lijn van haar mond. Ze leek toen jong. Ze lijkt nog steeds jong. Te jong voor een doodsmissie.

Achter ons roept Ralek iets naar de piloot van een ander vliegtuigje. De landingsbaan lijkt ineens mijlen lang.

Als ze voor me staat zegt ze plotseling, ‘Ik heb wel liefgehad.’ Ze zegt het hard en gedecideerd, alsof ze ter plekke tot die conclusie komt. Alsof het de belangrijkste zaak in het hele universum is. Daarna drukt ze haar lippen tegen de mijne om haar woorden te verzegelen. Mijn ogen blijven open, zodat ik haar gesloten oogleden zie, de ruimte tussen haar wenkbrauwen glad en ongeplooid, haar gezicht ondanks alles ongenaakbaar. Het is een korte kus, een efficiënte kus. Haar voorhoofd rust tegen het mijne.

 ‘Laat niemand zeggen dat ik niet heb liefgehad,’ fluistert ze. Deze woorden zijn zachter. Deze woorden zijn alleen voor mij. Nu sluit ik wel even mijn ogen, haar adem is warm op mijn huid. Levendig. Ik wil iets zeggen, maar er is niets in mijn hoofd dat het waard is naar buiten gebracht te worden. Ik denk aan de soldaten, die haar hun loyaliteit gunden, maar nooit waardering of kameraadschap boden. Aan de man die van haar had moeten houden, de man die haar een harteloze serpent noemde. Ik heb liefgehad. 

Ik slik de homp lucht in mijn keel weg. Het is zelfmoord, zei Ralek. Het woord lijkt zich tegen al mijn overige gedachten te hechten, en een moment lang voel ik iets donkers in me opwellen. Een golf van afgunst. Een misplaatste woede. Ik wil haar bij de schouders pakken, haar door elkaar schudden. 

Jij zou blijven. 

Jij zou het zijn die bleef. 

Ik denk dat ze het in mijn ogen leest, want ze neemt een stap terug. De rook die uit de uitlaten puft, vult de ruimte tussen ons. Ze kijkt me door de waas heen ernstig aan. Het is pas als ik haar hand over mijn wang voel gaan dat ik besef dat ik huil. 

‘Kop op, commandant Kira.’ Ze geeft me een strenge tik tegen mijn kin. ‘Ik zie je in een volgend leven.’ 

Ik knik. Ik kan niet veel doen dan knikken. Mijn maag trekt samen en ik ben bang dat als ik mijn mond open, ik ons afscheid zal onderkotsen. Met een elegante beweging zet ze de helm op haar hoofd. Het vizier sluit met een klik. Ze maakt een saluutgebaar. Het contrast van haar stellige standvastigheid en de aanblik van mijn eigen, door verdriet vertrokken gezicht in de reflectie van het zwarte glas doet me terugdeinzen. Ik berisp mezelf om mijn incapabiliteit mijn gevoelens onder de oppervlakte te houden zoals zij dat kan. Ik weet dat ze meer van me verdient. Tegelijkertijd hoor ik haar weer zeggen - alsof ze het me van onder die helm toefluistert - gevoelens zijn niet je vijand, kleine Kira. Apathie is de hand die men de nek omdraait. 

Ik kopieer haar gebaar en hef mijn eigen trillende hand naar mijn slaap, ook al is waarschijnlijk aan mijn hele lijf af te lezen dat ik op het punt sta mijn armen om haar heen te gooien. Haar tegen te houden. Ze draait zich zonder verdere poespas om. Haar stappen zijn de stappen van iemand die weet waar ze heen gaat, mijn stilstaan is het stilstaan van iemand die plotseling niet meer weet waar ze vandaan komt. 

Het opstijgen gaat soepel en vlug. Ik denk aan oorlog en aan hoe het in even grote maten uit hoop en haat voortkomt. Aan hoe oneerlijk weinig ruimte er tussen sommige hallo’s en vaarwels zit. Dan kijk ik naar de streep die de lucht als een rivier doormidden splitst en gun ik mezelf voor heel even een geloof in volgende levens. 

Drie weken later horen we van een luchtschip dat in de buurt van de Zaldische kust is neergehaald. Er wordt niets van de bestuurder gevonden dan een zwarte helm met daarin een geblakerde schedel. ‘Wonderbaarlijk,’ zegt de koerier, ‘er zat geen enkele scheur in het bot.’ 

‘Wat gaan we nu doen?’ vraagt Ralek. We  kijken naar het geschreven bericht alsof de woorden vernietigt en schedel onder ons staren spontaan van definitie zullen veranderen.

‘Nu,’ zeg ik langzaam, ‘nu vechten we terug.’

Lid sinds

2 jaar 10 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

 

 

Je wilt de scéne openen met een sterk (filmisch) beeld, maar het komt nogal gekunsteld en overdadig over. Een ‘uit licht geknipt figuurtje’ vind ik sterk en treffend. Waarom daarmee niet openen en dat beeld voor zich laten spreken, zodat de fantasie van de lezer wat ruimte krijgt? (Al moet je misschien een alternatief zoeken voor ‘figuurtje’ (verkleinwoord). Dat lijkt niet echt te kloppen met ‘indrukwekkend’ in de volgende zin.)
En schrap – waar mogelijk – al wat de tekst stroef of zwaar maakt:
Haar: staat 5x in de eerste twee zinnen (ik weet het, is soms moeilijk te vermijden).
Wappert als een onderwaterplant: misschien zie ik het fout, maar dat lijkt me een wat gezocht beeld. Een onderwaterplant lijkt me niet echt te wapperen (eerder te golven op de stroming). Los daarvan denk ik dat ‘wapperende haren’ op zich sterk genoeg is. Het vergelijkende beeld maakt het allemaal wat te dramatisch (naar mijn smaak). Net zoals ‘dalende zon’ + ‘gouden waas’ + ‘gloren’ in één zin.   

Dan zou het iets kunnen worden als:

Tegen het decor van een ondergaande zon lijkt ze een uit licht geknipt silhouet. Door het aansluitende vliegpak, de wapperende haren en de helm onder haar arm, is ze nog indrukwekkender dan ik me haar herinner.
Toen ik (vul hier haar naam in) voor het eerst zag, was ze zo jong. Ze lijkt nog steeds jong. Te jong voor een doodsmissie.

Nog een paar voorstellen om de tekst vlotter te maken:
(In BOLD zou ik schrappen/vervangen)

Als ze voor me staat, zegt ze plotseling, ‘Ik heb wel liefgehad.’ Ze zegt het met overtuiging (hard en gedecideerd), alsof ze ter plekke tot die conclusie komt. Alsof het de belangrijkste zaak in het (hele) universum is. Dan drukt ze een kus op mijn lippen. (Daarna drukt ze haar lippen tegen de mijne om haar woorden te verzegelen).

Sterke, mooie scéne. Emotioneel. Begrijp wel niet zo goed wat de volgende zin toevoegt. Ook lijkt ‘ongenaakbaar’ niet echt te rijmen met de emotie uit de vorige zin. (maar misschien mis ik hier wat context). Ik zou dit dus schrappen of herschrijven.
(Mijn ogen blijven open, zodat ik haar gesloten oogleden zie, de ruimte tussen haar wenkbrauwen glad en ongeplooid, haar gezicht ondanks alles ongenaakbaar.)

“Het is een korte kus, een efficiënte kus. (‘efficiënte kus’ Wat bedoel je juist?) Haar voorhoofd rust tegen het mijne.”
Deze scéne voelt ook wat vreemd aan. ‘Korte kus’ maar anderzijds ‘rust haar voorhoofd tegen het mijne’ wat toch een langer contact insinueert.  

‘Laat niemand zeggen dat ik niet heb liefgehad,’ fluistert ze. Deze woorden (zijn) zegt ze zachter. Deze woorden zijn alleen voor mij. (Nu sluit ik wel even) Ik sluit mijn ogen. Haar adem is warm op mijn huid. Levendig. Ik wil iets zeggen, maar ik kan niets bedenken. (maar er is niets in mijn hoofd dat het waard is naar buiten gebracht te worden). Ik denk aan de soldaten, (die haar) aan hun loyaliteit (gunden), maar ook aan hun onvermogen (nooit) waardering of kameraadschap te tonen (boden).
...

Ik slik de brok (homp lucht) in mijn keel weg. Het is zelfmoord, zei Ralek.
‘Het woord lijkt zich tegen al mijn overige gedachten te hechten, en een moment lang voel ik iets donkers in me opwellen.’ > Zou ik herschrijven. Kromme zin en onduidelijk wat je hiermee bedoelt.

Ik knik. Ik kan niet veel meer doen dan knikken. Mijn maag trekt samen en ik ben bang dat als ik mijn mond open, ik ons afscheid zal onderkotsen. (Met een elegante beweging)  Ze zet haar helm op (haar hoofd). Het vizier sluit met een klik. Ze maakt een saluutgebaar. Het contrast (van) tussen haar (stellige) standvastigheid en de aanblik van mijn (eigen), door verdriet vertrokken gezicht in de reflectie van het zwarte glas doet me terugdeinzen. (Ik berisp mezelf om mijn incapabiliteit mijn gevoelens onder de oppervlakte te houden zoals zij dat kan.) Waarom kan ik mijn gevoelens niet beter onder controle houden. Me beheersen, zoals zij.

Het opstijgen gaat vlot (soepel en vlug). Ik denk aan oorlog, hoe het (in even grote maten) uit hoop én haat voortkomt. Aan hoe oneerlijk weinig (ruimte) tijd er tussen sommige hallo’s en vaarwels zit.

‘Wat gaan we nu doen?’ vraagt Ralek. We  kijken naar het geschreven bericht alsof de woorden vernietigt en schedel onder ons staren spontaan van definitie zullen veranderen. > ? onduidelijke zin.

Hoop dat je er iets aan hebt.

 

 

Lid sinds

10 jaar 6 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

AlanaLivingstone schreef; [...] maar ik zou toch graag willen weten of het iets van emotie oproept [...]  

Je roept bewondering op om je mooie zinnen.  

Zou u/jij hier meer van willen lezen? 

Ja.  

Lid sinds

4 jaar 2 maanden

Rol

  • Gewone gebruiker

Als antwoord op door KRoL

Dank voor je uitgebreide reactie!

Je hebt echt een uitgevers of editors-oog, volgens mij:) Je hebt gelijk, ik heb in het verleden vaker terug gekregen dat mijn schrijven soms wat gekunsteld overkomt. Als  jong(er) meisje heb ik ooit een interview gelezen met Janet Finch (de schrijfster van het boek Witte Oleander) waarin zij zegt dat het doel van elke schrijver moet zijn om elke zin die je schrijft uniek te maken. Inmiddels ben ik erachter gekomen dat dat allicht wel ‘literair’ overkomt, maar nogal vermoeiend leest. Desondanks blijf ik het af en toe proberen, en jouw (‘waterplant’) reactie bevestigd mijn vermoeden. Ik neem me voor om me in de toekomst wat meer te focussen op wát ik wil zeggen, en minder op hoe ik dat wil doen. 

Je commentaar bevat goede suggesties en correcties, ik ga er zeker wat mee doen. Nogmaals dank!