Lid sinds

15 jaar 4 maanden

Rol

Uitvliegen

In het laatste jaar van de opleiding literaire creatie op de Gemeentelijke Academie van Boom (België) moesten wij een eindwerk inleveren. Ik werkte toen op het stedelijk archief van Antwerpen en ontdekte een verslag over een ontploffing van een munitiefabriek in Antwerpen op 6 september 1889. Ik creëerde een hoofdpersonage, een jong meisje van veertien jaar, die in de fabriek moest gaan werken.
Na research over de periode begon ik het verhaal uit te schrijven. Historische feiten en figuren heb ik in mijn boek verweven met fictieve toestanden en personen.
Het was een heel interessante periode: de emigratie naar Amerika via de Red Star Line, het opkomend vrouwenrecht, het antisemitisme, het socialisme, de kinderarbeid.
Na ruim een jaar was mijn roman klaar. Het is tevens mijn debuutroman.

Omschrijving van de inhoud of de flaptekst

Antwerpen, 1889. De veertienjarige Liesje woont met haar vader en haar oom op het Eilandje, waar duizenden emigranten met de Red Star Line vertrekken naar Amerika. Ze gaat naar een parochieschool waar de kloosterzusters haar klaarstomen om een huisvrouw te worden. Maar Liesje wil meer dan een plaats aan de haard en in de keuken. Haar droom om verder te studeren valt in diggelen wanneer haar vader haar van school haalt om samen met hem en haar oom te gaan werken in de munitiefabriek van Corvilain.
De werkleider vergrijpt zich aan Liesje en wanneer ze zich verzet, wordt ze op straat gegooid. Doelloos slentert ze rond op het Eilandje. Dan gebeurt er een ramp. De fabriek ontploft en er zijn tientallen doden, waaronder haar vader. Haar oom ligt zwaargewond in het ziekenhuis. Op zijn sterfbed krijgt Liesje een vreselijk familiegeheim te horen.

Fragment

Vanaf een bolder aan de Rijnkaai keek Liesje naar de krioelende emigranten die aan boord van de Belgenland wilden. In de tweede mast wapperde het vaandel van de Red Star Line, maar de vlag in de top van de voorste mast was het symbool voor een nieuwe toekomst. De Amerikaanse vlag wees fier stroomafwaarts, richting open zee waarachter de Nieuwe Wereld lag.
Vanaf het stoomschip strekten de loopbruggen zich als open armen naar de kade uit. “Kom aan boord, kom aan boord,” leken ze de menigte toe te fluisteren, maar niemand die het hoorde. Alleen geschreeuw en gesnauw weerklonk.
“Achteruit jij,” brulde een purser. Met een duw benadrukte hij zijn bevel. Een man met een versleten zwarte jas aan werd achteruitgezet, het kind aan zijn hand viel om. Huilend liep het de man achterna, maar het was te klein en werd opgezogen in de mensenmassa. Liesje ging op de bolder staan en zag verderop de man rondkijken. Vlug nam ze het kind vast en trok het mee naar de man.
Met tranen in de ogen nam hij het kind vast en mompelde iets in een taal die ze niet begreep. Een vrouw naast hem schold hem uit en trok het kind tegen haar boezem. Ze vervolgden hun weg richting het schip.
Liesje probeerde naar haar bolder te strompelen, maar een rijk geklede dame liep haar ondersteboven.
“Kijk uit, pummel,” brieste ze. Als een moedereend waggelde ze verder, in haar kielzog zwetende en zuchtende sjouwers. De officier aan de loopbrug van de eerste klasse lachte breeduit naar de vrouw.
“Welkom mevrouw. Ik wens u een prettige reis.”
De officier knipte met zijn vingers en dragers sprongen naar voor om de bagage over te nemen. Een gezin in versleten kleren wilde de loopbrug opstappen, maar de officier duwde hen hardhandig weg.
“Enkel voor eerste klasse. Jullie moeten ginder zijn.”
Het gezin schoffelde voort in de richting die de officier had aangewezen. Ondertussen hielp hij een opgedirkte dame op de loopbrug.
“Voor die rijke stinkerds buigen ze als een knipmes, maar de arme drommels worden toegesnauwd en voortgeduwd naar de onderste regionen van het schip.”
Naast Liesje spuwde Guillaume op de grond.
“Dag Liesje,” zei hij.
Guillaume was een van de vele stokers van de Belgen-land. De zomervakantie was nog maar net begonnen en Liesje zat weer te dromen op de kaai. Guillaume kwam bij haar staan. Hij vertelde over de overtocht. Na tien dagen in de hitte van het schip gewerkt te hebben, was hij blij als hij aan land kon. Liesje hing aan zijn lippen en ze verbeeldde zich dat ze in New York rondwandelde. Hij zag er ruw uit, maar had een hart van goud.
“Ik moet mij haasten. De kapitein wil op tijd vertrekken. Tot ziens, Liesje.”
“Dag Guillaume.”
Met zijn plunjezak onder de arm verdween hij tussen de massa. Hier en daar was er geduw en getrek om toch maar snel aan boord te kunnen.
Liesje was in januari veertien geworden. Het was een dag als alle andere dagen. Geen geschenkje, zelfs geen gelukwensen. Als een bang muisje bleef ze op haar verjaardag uit de buurt van haar vader.
Hij werkte in de haven. Elke dag bood hij zich aan om de schepen, aangemeerd in het Klein Dok, te laden of te lossen. Tot hiertoe had hij geluk en vond hij een job, maar de jenever die rijkelijk werd verdeeld op de kaaien, was een boosdoener. Liesje dacht aan de vele keren dat haar vader dronken naar huis kwam. Hij verweet haar dan dat zij haar moeder had vermoord. Haar oom Petrus, de oudere broer van haar vader, probeerde hem dan te kalmeren. Dit lukte meestal, maar niet zonder slag of stoot. Het gezin kon elke cent gebruiken. De dag dat Liesje de school moest verlaten, naderde.
De stoomfluit van de Belgenland schalde. Kaai-personeel van de Red Star Line maakte de trossen los van de bolders. Zeelieden trokken met alle macht de dikke touwen binnen. Met getoeter verliet het schip langzaam zijn aanlegplaats in Antwerpen en vertrok richting open zee. Op het dek en de kade wuifden honderden mensen naar elkaar. Achterblijvers namen afscheid met een laatste lach of een traan naar de opvarenden.
Liesje zuchtte. Zij moest achterblijven in Antwerpen. Zij kon enkel dromen van een overtocht.
“Hé, dromer.”
Geschrokken keek ze naar Jan, haar boezemvriend.
“Moet jij niet leren voor school? Geen huiswerk?” vroeg Jan met een monkellachje.
“Wat valt er nu te leren bij die nonnen? Wassen en plassen. Gelukkig is er op de middag meester Alexander, die leert mij toffere zaken.”
“En jij als een onnozel meisje verstaat dat?”
Liesje gaf Jan een speelse stamp tegen zijn been.
“Jij vindt jezelf wel slim. Voor jou hoeft geen school, maar wie heeft je leren lezen en schrijven?”
“Ja goed, jij was mijn juf.”
Liesje kon niet kwaad zijn op Jan. Hij plaagde haar altijd, maar dat eindigde altijd met een kusje.
“Komaan, we gaan naar het Wandelterras. Daar staat een snoepkraampje. Ik trakteer,” zei Jan.
“Heb je dan geld?”
“Nog niet,” antwoordde Jan en haalde zijn katapult boven.

Uitgever

Create my Books

ISBN

9781616276751

Bladzijden

324