Lid sinds

2 weken 4 dagen

Rol

Tien jaar over nagedacht, vier jaar aan geschreven

Al sinds mijn 19e, toen ik de pinksterkerk verliet, speelde ik met het idee ooit iets verhalend rond die ervaring te doen. Aanvankelijk kwam ik (in 2010) tot een scenario voor een langspeelfilm, waar ik zelfs financiële steun voor kreeg van het VAF (Vlaams Audiovisueel Fonds). In een daaropvolgende ontwikkelingsfase kwam ik niet voor financiering in aanmerking, maar kreeg ik de gouden raad het verhaal uit te werken in een roman - die kon later altijd nog de basis vormen voor een filmadaptatie. Zo gezegd zo gedaan. Na nog enkele jaren aan bijkomende research en de zoektocht naar een stevige verhaalstructuur, begon ik in 2018 te schrijven aan mijn roman. Gebaseerd op mijn jeugd in de kerk, maar uiteindelijk fictief. Niet waargebeurd, wel waarachtig.

Omschrijving van de inhoud of de flaptekst

Wat een zorgeloze zomervakantie zou moeten zijn voor de afgestudeerde Samuel Stroobant, blijkt een cruciaal kruispunt. Zijn streng-religieuze gemeenschap wil dat hij in september als zendeling naar Amsterdam trekt, maar stiekem droomt hij ervan de wereld te veroveren met zijn gitaar.

De komst van een nieuw meisje in de kerk maakt het alleen maar lastiger. Want Molly, doodziek en vastberaden om het maximum uit haar laatste restje gezondheid te halen, trekt Samuel mee in haar wereld, waarin hij hopeloos verdwaalt.

Redder is een semi-autobiografische roman over beloven en geloven, kiezen en verliezen en het recht om jong en dom te zijn.

Fragment

Vanuit de steeg kwamen mij gedempte gitaarklanken tegemoet. Hoe luider ze klonken naarmate ik dichter bij Morgen Gebeurt Alles kwam, hoe sneller mijn hart in mijn keel begon te kloppen. Het duizelde me toen ik voor het café stond, want nooit was ik zo dicht bij die andere, volslagen onbekende want verdorven wereld gekomen.
Ik ademde diep in, opende de deur en werd overweldigd door de lawaaigolf die het donkere keelgat over mij uitbraakte. Nadat ik enigszins bekomen was, zette ik mijn voet op de bovenste trede, goed beseffend dat er geen weg meer terug was en dat ik bij elke stap neerwaarts dichter bij het hart der duisternis kwam, waar demonen zouden heersen en zonde vrij spel had.

Het ondergrondse concertzaaltje bleek een soort middeleeuwse kelder, met gewelfmuren die van nok tot vloer beslagen waren met zwart geschilderde triplexplaten, op hun beurt beplakt met neonstickers en halfvergane concertaffiches. Op de bodem van de crypte wiegde een zee van zwarte koppen op de perverse, ondraaglijk harde klanken die de jongen op het podium uit zijn elektrische gitaar wrong. Boven die koppen hing een sluier van sigarettenrook. Het leek een bijeenkomst van satanisten die zich opmaakten om de duivel zelf in hun midden op te roepen.

Vlak voor het podium herkende ik het reusachtige silhouet van Arvid, die met grote gebaren naar de zanger riep en vervolgens diens schop- bewegingen ontweek – of dat een speels dan wel vijandig tafereel was viel vanuit het trapgat niet op te maken.
Links onder mij strekte zich een toog uit over de hele lengte van de muur. Aan het begin ervan zat Molly met haar schetsboekje op de schoot en zowaar een cola in haar hand. Het beeld verraste me aangenaam: zou ze zich vanavond dan niet aan alcohol te buiten gaan? Voorzichtig ging ik naast haar staan. “Smaakt het?” riep ik bij haar oor. Geschrokken draaide ze zich naar me om en slaakte een kreet van verrassing.
“Samuel! Van gedacht veranderd? Of al klaar met dweilen?”
“Heel even,” schreeuwde ik boven de muziek uit. “Misschien straks één nummer van Quotezack, als die gast op het podium er snel genoeg mee ophoudt. Anders naar Dellemont als je cola op is.”
Ze schudde het hoofd. “Mazout. Bier met cola.”
Met een snerpende fluittoon trok ze de aandacht van de barman en even later stonden twee bekers met hetzelfde bruine vocht voor ons op de bar.
“Kom,” zei ze, “een toast op je eerste uitstapje naar de hel. Als je durft drinken, ga ik mee naar Dellemont. Beloofd.”
Ik schudde mijn hoofd. “Geen dorst.”

Molly leegde in één teug de rest van haar beker en keek me uitdagend aan terwijl ze een nieuwe van de toog nam en aan haar lippen zette.
Ik weet niet of het de gitaarmuziek van de jongen op het podium was of de rauwe energie die van de massa voor mij uitging, maar ik voelde de vastberadenheid van boven op straat uit mijn lijf sijpelen en plaats- maken voor iets wat ik alleen kon omschrijven als opwinding. In die opwelling nam ik de bijna volle mazout uit Molly’s handen en riep haar toe dat ik dadelijk terug zou zijn. Met haar blik strak op het podium gericht wuifde ze me weg.

De beker als een Heilige Graal voor mij houdend wurmde ik me door de muur van klamme, walmende ruggen, die amorf deinde op de gitaarbrij van de jongen. Na enig zoeken vond ik Arvid bij het podium en werkte me tot vlak achter zijn rug, waarop ik een voet in zijn knieholte duwde zodat hij knakte als een bloem met steelmoeheid. Verstoord draaide hij zich om, maar toen hij me herkende barstte zijn gezicht open als een spuitwaterbubbel.
“Kwezel?” riep hij ongelovig.
“Homo erectus!” brulde ik.
“Dan toch!” schreeuwde hij met de armen in de lucht. Zonder zich
iets aan te trekken van de mensen achter ons tilde hij me op en draaide me rond, zodat de helft van de mazout op zijn schouder terechtkwam.

Nadat hij me had neergezet presenteerde ik hem het bekertje. “Pintje?”
“Slaapt Dolly Parton op haar rug?”
Hij griste het intussen flink geblutste ding uit mijn hand en dronk het in één keer leeg. “Bah, mazout. Maar zo lekker!”
Hij boog zich voorover en liet een luide boer in mijn oor. “Is Jezus’ feestje al voorbij?” zei hij er achterna.
“Ik kom Molly ophalen. We zijn zo meteen weer weg.”

Uitgever

Bibliodroom

ISBN

9789492515803

Bladzijden

288