Lid sinds

1 jaar 8 maanden

Rol

De Moeder

Ik ben Nico Boots en woon sinds 2008 in Italië waar ik samen met mijn man een B&B uitbaat. Een aantal jaren geleden ben ik begonnen met het vertalen van Italiaanse politieromans die ik zelf leuk vond om te lezen. Via het auteurs-vertalers platform Babelcube ben ik toen in contact gekomen met de schrijver Marco Lugli die een serie boeken heeft geschreven rondom zijn commissaris Gelsomino. De door mij vertaalde boeken van hem worden door mij in eigen beheer in Nederland en Vlaanderen uitgegeven. De eerste daarvan was 'In Jouw Bloed', de tweede 'De Beet van de Tarantula' en dus nu de derde uit de serie: 'De Moeder'. De grootste uitdaging voor mij als vertaler is om een goede vertaling te vinden voor de typisch Italiaanse begrippen en en situaties die voor Nederlanders onbekend. Soms zijn er grammaticale verschillen die onvertaalbaar zijn, maar toch een Nederlandse uitdrukking verlangen. Ik hoop dat ik daarin ben geslaagd.

Omschrijving van de inhoud of de flaptekst

'De Moeder' is het derde boek uit de reeks rondom commissaris Gelsomino.
Gelsomino is na een lange periode van gedwongen rust door de corona-quarantaine weer teruggekeerd op het hoofdbureau van politie in Lecce. Daar worden hij en zijn medewerkers geconfronteerd met een ingewikkelde moordzaak. Er is een lichaam gevonden bij de 'Keien van de Oude Vrouw', een met allerlei mythen omgeven plek op het platteland van de Salento, in het zuidelijkste puntje van de regio Puglia. Eén van de verdachten is een helderziende die op een commercieel tv-kanaal de tarotkaarten legt en die een boodschap van de overleden vrouw van Gelsomino komt brengen. Daarnaast vertelt 'De Moeder' over een jong, hoogzwanger meisje dat zeven jaar daarvoor psychisch in de war was, dat gedwongen werd in het ziekenhuis van Lecce te bevallen en verhaalt welke gevolgen dat een aantal jaren later voor haar en de direct betrokkenen heeft gehad. Het is daarmee ook een verhaal over het (onbeantwoord) verlangen naar moederschap, het verdriet over een miskraam en de bewuste keuze voor wel of geen abortus bij ongewenste zwangerschap. 'De Moeder' laat zien tot welke wreedheden mensen in staat zijn als het om moederschap gaat.

Fragment

Luigi Gelsomino zette zijn voet over de drempel van het hoofdbureau van politie. Omdat de rest van zijn lichaam aan die voet vastzat, volgde dat als vanzelf. Een uur eerder in de auto had hij bedacht dat het min of meer de veertienduizendste keer was dat hij het gebouw zou binnenlopen. Het is een dag als alle andere had hij tegen zichzelf gezegd terwijl hij elke lettergreep van het getal benadrukte. Elke kamer stond in zijn geheugen gegrift, elke stoel en elk stel billen dat ze had verwarmd. Hij wist waar hij moest opkijken om de tientallen jaren oude spinraggen te zien en waar hij de gescheurde en wiebelende vloertegels kon ontwijken. Die voorzichtige manier om naar binnen te lopen was niet echt nodig maar gaf wel een goed beeld van zijn huidige gemoedstoestand, die niet was zoals hij zich dat de avond tevoren had voorgesteld toen hij zich nog op negentig kilometer hiervandaan bevond.

In de afgelopen zeven maanden had hij meer tijd doorgebracht in Capo di Leuca dan in Lecce. In het begin van het jaar had hij aan de Via Galliani in Patù een tweekamerappartement met een stergewelf gekocht. En zodra hij had besloten om het een periode wat rustiger aan te doen was hij er elke vrijdag naar toegegaan om toezicht te houden op de werkzaamheden die nodig waren om het op te knappen. Hij logeerde in de B&B Capperi!, die hij een paar jaar eerder had leren kennen. Het deed hem plezier deze nu vol leven te zien nadat ze de plaats delict was geweest van de moord die hij er had onderzocht. Toen vanwege de corona-epidemie in maart de algemene quarantaine werd afgekondigd, bevond hij zich net in Patù en stond hij voor de keuze in het dorp blijven of teruggaan naar Lecce en daar de quarantaine uitzitten in zijn flatje op de derde verdieping. Hij had voor het eerste gekozen. Hij had in het dorp een huurappartement gezocht waar hij was gebleven tot eind juni, waarna hij zijn nieuwe woning kon betrekken.

Hij was de hele zomer in zijn toevluchtsoord, gelegen aan een autovrije binnenplaats, gebleven waar je de indruk had dat het gewone leven er nog altijd doorging. Patù bleek de perfecte plek te zijn voor zijn gedwongen verblijf omdat hij in de kleinschaligheid ervan normaal kon zijn ondanks dat hij zich in die periode erg nutteloos voelde. Zelfs de psychologische gevolgen van de quarantaine waarover hij in de kranten las, leken hem echo’s van geschreeuw in de verte. Hij had er alles bij de hand: de markt lag vlakbij en hij kon ondanks het uitgaansverbod in vijf minuten ongehinderd met de auto naar zee rijden dankzij zijn politie-ID die hij altijd bij zich had. Vaak ging hij er te voet heen, lopend langs de provinciale weg 192 waar hij vossen en eksters tegenkwam in plaats van auto’s. Hij liep dan door tot de jachthaven van San Gregorio en streek neer op de trappen van Bar del Moro die gesloten was net als de rest van Italië. Elke keer dacht hij dat hij zich schuldig zou moeten voelen omdat hij zo op zijn gemak was. Maar het lot had nu eenmaal voorzien dat de wereld tot stilstand kwam net op het moment dat hij er behoefte aan had.

Ook de criminelen hadden een rustpauze ingelast en als hij dienst had gehad, had hij waarschijnlijk de nieuwe misdadigers van de pandemie moeten opjagen: bejaarden die een luchtje schepten op de bankjes en de zondagse slenteraars die opeens van maandag tot zaterdag ook aan het joggen waren geslagen. Met hen maakte hij graag een praatje en daarom was het beter in Patù te blijven en in alle opzichten te leven als een gepensioneerde die zich aan de uiterste rand van de Italiaanse laars had teruggetrokken.

Eind juni merkte je dat, ondanks het uitblijven van de komst van de toeristen, het normale leven weer zijn gang begon te nemen. Luigi nam de tijd om af een toe een gesprek aan te knopen met de dorpelingen die allemaal een of twee vakantiehuizen zwart verhuurden en die allemaal ten einde raad waren, met B&B-houders, hoteleigenaars en met uitbaters van de strandtenten die hem met tranen in de ogen voorrekenden wat de vaste kosten waren in een seizoen zonder inkomsten. Met seizoenarbeiders en met de mensen die bootuitstapjes voor toeristen organiseerden en die zich tot hem wendden alsof hij een vertegenwoordiger was van de overheid, die voor hen kon optreden als spreekbuis voor hun problemen. Hij begreep hun zorgen, was solidair met ze als ze klaagden over het uitblijven van overheidssteun, maar kon niet echt hun angst invoelen omdat deze bijzondere zomer voor hem een geschenk was. Hij, die nooit van zijn leven toerist was geweest tussen al die anderen, was nu tot zijn eigen tevredenheid er zelf een. Het was voor hem een onbekommerde zomer geweest, zonder veel bijzonderheden, bestaande uit tweemaal daags naar het strand: ’s morgens vroeg en ’s avonds laat bij ondergaande zon en tussendoor wat wandelen en lezen.

Hij was deze morgen in de stad teruggekomen zonder zelfs maar even langs zijn huis te gaan. Hij had gehoopt dat hij op deze manier de rust met zich kon meenemen van de laatste zonsondergang toen hij van de rotsen bij de Grotta delle Tre Porte in zee was gedoken en het nog warme water in de eerste dagen van oktober hem de energie had verschaft die hij nodig had om weer naar zijn werkplek terug te keren. Nu hij weer met beide benen in het hoofdbureau stond, wist hij dat die duik in de schemering een heerlijk moment was geweest, maar dat het effect ervan maar tijdelijk was.

Als een kind dat in afwachting is van het onbekende op de eerste schooldag, beklom hij ongemakkelijk de twee trappen, terwijl hij net als iedere andere ambtenaar wist wat hem te wachten stond op de eerste werkdag na de zomervakantie. Op de overloop van de tweede verdieping keek hij de lange gang in waar, aan het einde, zijn kantoor lag. Die grijze kamer, waar de enige aanwezige kleur die van de dossiermappen was die op zijn bureau hoog lagen opgestapeld. Die grafkelder, die al snel genoeg nog asgrauwer en claustrofobischer zou lijken door de torenhoge problemen die erop hem lagen te wachten, beschutte hem ondanks dat wel tegen de gevaren die in de gang op de loer lagen. Hij aarzelde en overwoog of hij een sprintje zou trekken om snel binnen te zijn. Hij wilde er alles aan doen om te voorkomen dat hij iemand tegen het lijf liep. Al zijn naaste medewerkers zouden uit de vele deuren in de gang tevoorschijn kunnen komen en tegen iedereen zou hij dan moeten glimlachen, hun de hand schudden en zeggen blij je weer te zien en wat je zie er goed uit. Kortom, hij zou dus moeten liegen omdat hij er in werkelijkheid geen behoefte aan had om wie dan ook tegen te komen en omdat het compleet onmogelijk was om een gezond kleurtje te behouden in zo’n monochrome werkomgeving. Hij zelf daarentegen was in uitstekende vorm, na zoveel maanden zeelucht en rust voelde hij zich uitstekend. Tenminste, tot voor enkele minuten hiervoor.

Er liep op dat moment geen van zijn collega’s op de gang. Er zat echter wel een man op een van de stoelen op de plek die diende als wachtkamer. Er lag op zijn gezicht de gewoonlijk berustende blik van een burger die een overheidskantoor is binnen gestapt om iets geregeld te krijgen en maar moet afwachten wanneer hij weer naar buiten kan. Gelsomino liep op normale snelheid door de gang en keek voor zich uit zonder een blik te werpen in een van de andere kantoren. Ongeveer halverwege hoorde hij iemand iets mompelen. Hij draaide zich om en zag dat de man zijn hand had opgestoken om zijn aandacht te trekken. Op zijn beurt maakte hij een afwijzend gebaar met zijn vinger om elke mogelijke vraag af te wenden.
“Het spijt me, ik ben nog niet in dienst,” loog hij, terwijl hij wegliep. Hij schoot gauw zijn kantoor binnen en deed de deur achter zich dicht. Hij ging opgelucht achter zijn bureau zitten, maar de deur werd luidruchtig opengegooid terwijl hij zuchtend dacht dat hij ontsnapt was.

“Chef!”
“Colazzo…”
“Ik dacht het al, dat ken alleen u weze…
“Ik had je een paar werkwoorden om te vervoegen gestuurd, maar ik merk dat je ze niet hebt ontvangen.”
“Ach ja de post, commissaris. De post…”
Gelsomino knikte moedeloos en gebaarde zijn assistent dat hij binnen moest komen en de deur dicht doen. Colazzo was voor Gelsomino het favoriete doelwit van zijn sarcasme en hij gebruikte het om zich net iets beschaafder voor te doen, zodat hij kon overleven in een wereld vol met tot actie opgefokte mannen zonder dat hij besmet werd door hun ruwe omgangsvormen. Colazzo was weliswaar sterk en stevig gebouwd maar ook een gewillige jongeman die hij graag mocht. Hij was zijn reddingslijn, de enige tegen wie hij volledig eerlijk kon zijn. Toen Gelsomino hem had leren kennen was hij nog maar een jonge dorpsdiender die bij de afsluiting van een onderzoek een goed woordje van hem had gevraagd zodat hij de overstap kon maken van de lokale politie naar de landelijke recherche.
“Ik wist niet dat het vandaag al de grote dag zou zijn,” ging de jongeman stralend door.
“En ik had niet in de gaten dat ik zo gemist werd, agent.”
“Ik ben net gepromoveerd tot hoofdassistent en u doet nog steeds alsof ik een agent ben,” beklaagde Colazzo zich. Hij wist dat Gelsomino dit met opzet deed om hem te plagen en hij schaamde zich niet voor de manier waarop hij in de rangen was opgeklommen maar hij wenste dat zijn superieur zich wat meer gelegen liet liggen aan de gebruikelijke omgangsvormen. “Maar u ziet er goed uit…”
“Trouwens, dat kan ik van jou niet zeggen,” zei Gelsomino met een medelijdende blik. “Je zou moeten doen wat ik heb gedaan, begin je een beetje vreemd te gedragen en je zult zien dat ze je suggereren een time-out te nemen. Als het nodig is om een rapport op te stellen waarin ik verklaar dat je gestrest bent, dat je op de rand van een burn-out staat en dat ik vrees dat je een gevaar bent voor jezelf, dan kun je op me rekenen.”
Colazzo draaide zich om naar het raam en probeerde zijn spiegelbeeld te bekijken. Hij trok de wallen onder zijn ogen weg.
“Ik zeg het tegen je,” ging Gelsomino verder, “omdat ik het beste met je voor heb. Hier zes maanden weg zijn, weegt ruimschoots op tegen de verdachtmaking dat er een steekje aan je los zit. Geloof me maar.”
“Nee, dan sturen me vast en zeker naar zo’n zielenknijper,” antwoordde Colazzo.
“Dat is een gemene stoot onder de gordel, agent.”
Colazzo sloeg zijn ogen neer. Hij had nooit helemaal het motief begrepen waarom de commissaris zolang afwezig was geweest, maar op het bureau werd gefluisterd dat hij een burn-out had gehad, dat hij regelmatig een psycholoog zag en dat iemand hogerop hem van een onderzoek had afgehaald om te voorkomen dat de resultaten ervan bij een rechtszitting niet als bewijs toelaatbaar zou zijn. Het waren vast en zeker geruchten die door roddelaars werden verspreid, want er waren geen disciplinaire maatregelen tegen hem genomen, maar hij wist zeker dat Gelsomino in behandeling bij een therapeut was geweest omdat de commissaris dit hem zelf in vertrouwen had verteld. Dus de verdenking dat er in die geruchten een grond van waarheid zat, was hem bijgebleven. Hoe het ook zat, het was beter om op een ander onderwerp over te gaan. “Bent u Anna Fontana al tegengekomen, commissaris?”
Gelsomino wist dat dit onderwerp vroeg of laat ter sprake zou komen omdat hij had gehoord dat de politievrouw was aangenomen bij de politie in Lecce nadat ze een paar jaar bij het korps in Modena had gewerkt, de stad waar ze was opgegroeid en haar opleiding had gevolgd. Hij had echter gehoopt dat hij Anna’s naam pas zou horen nadat hij al een paar dagen aan het werk zou zijn en dat de slaapverwekkende atmosfeer van het bureau de herinnering aan het figuur dat hij had geslagen tegenover zijn collega in het onderzoek naar de tarantate-vrouwen van vier jaar daarvoor, minder pijnlijk zou maken. Hij schudde ontkennend zijn hoofd.
“Wist u dat ze nu hier is gedetacheerd?” ging Colazzo stug door.
“Dat heb ik gehoord, ja. Ze een uitstekend politievrouw,” zei Gelsomino terwijl hij probeerde blij te kijken bij dit nieuws.
“Ik weet dat ze iemand zoeken.”
“Ik ben helemaal niet op zoek naar iemand.”
“Niet u, chef. Inspecteur Fontana. Ze zoekt naar een vermist persoon.”
“Werken jullie nu soms samen?”
“Nee, ik meld het alleen maar.”
“Prima, nu je me dat gemeld hebt, kun je iets nuttigs gaan doen.”
“Een koffie voor mijn heer en meester?”
“Graag. Ik ben blij dat je niet voor Anna Fontana werkt. Ik zou je ijver gaan missen.”

Uitgever

Brave New Books

ISBN

9789464656572

Bladzijden

312