Lid sinds

1 maand 2 weken

Rol

13,8 miljard jaar in een notendop

Het ontstaan van de mensheid en wat daaraan vooraf ging, samen met de vraag hoe mensen leren en hoe zij in staat zijn om over gebeurtenissen na te denken, heeft mij al jarenlang geïntrigeerd. Ik heb daar veel studie naar gedaan en geef er ook cursussen over. Tijdens de lock downs vanwege corona ben ik een en ander op gaan schrijven, wat uiteindelijke geleid heeft tot dit boek. Ik heb het boek zo geschreven dat het voor een breed publiek toegankelijk is.

Omschrijving van de inhoud of de flaptekst

De ontwikkeling vanaf de Oerknal tot de mens met zijn bewuste kennis, daarover gaat ‘13,8 miljard jaar in een notendop’. Het vertelt het verhaal van het ontstaan van het heelal, de sterren, de materie en hoe vanuit de materie op aarde leven kan zijn ontstaan. Leven dat zich in bijna vier miljard jaar evolueerde tot de vele planten- en diersoorten die we vandaag de dag kennen. Deze evolutie heeft ook diersoorten met een zenuwstelsel en hersenen voortgebracht, waardoor zij hun gedrag flexibel kunnen aanpassen aan de eisen van hun omgeving. Zij kunnen leren van hun ervaringen en vergroten daarmee hun overlevingskansen.
Om te begrijpen hoe dieren met hersenen - inclusief de mens - van hun ervaringen leren laat ‘13,8 miljard jaar in een notendop’ zien hoe lichaamscellen, en met name zenuwcellen, onderling communiceren. Zenuwcellen vormen netwerken, netwerken die op hun beurt de hersenen vormen. Het brein kent vele netwerken met functies die belangrijk zijn voor het opdoen van kennis, zoals horen, zien, de motoriek, het geheugen en leren. Deze functies komen dan ook ruimschoots aan bod.
Dieren met hersenen kunnen denken en beschikken over een vorm van bewustzijn. Voor ons mensen komt daar nog een andere vorm van bewustzijn bij. Dankzij de taal zijn wij in staat om op gebeurtenissen te reflecteren en bewust na te denken, waardoor wij, als enige diersoort, over een reflectief bewustzijn beschikken.

‘13,8 miljard jaar in een notendop’ is een lange geschiedenis in het kort die, dankzij het reflectief bewustzijn, beschreven en gelezen kan worden. De tekst is geschikt voor geïnteresseerde lezers die in staat zijn om populairwetenschappelijke literatuur en tijdschriften of wetenschapsbijlagen van de krant te lezen. Wetenschappelijke termen worden vermeden en, als dat niet kan, uitgelegd.

Fragment

Een ander verschijnsel dat de theorie van een uitdijend heelal ondersteunt, is de ontdekking van de kosmische achtergrondstraling, een overblijfsel uit de tijd dat het heelal doorzichtig werd en het licht zich zonder veel hindernissen door de ruimte kon verplaatsen. De sporen van dit licht, achtergrondstraling genoemd, werden in de periode van 1963 tot 1965 bij toeval ontdekt door Robert Wilson en Arno Penzias, beiden verbonden aan de Bell Laboratories in Amerika. Bell Laboratories had een voor die tijd enorme radioantenne gebouwd, bestemd om de signalen van satellieten te kunnen ontvangen. Toen de antenne daarvoor niet meer nodig was, gebruikten Wilson en Penzias deze om radiosignalen uit de ruimte te meten. Bij die metingen trad voortdurend een storende ruis op, die zich in alle richtingen voordeed. Zelfs het reinigen van de hele antenne had geen invloed op de storende ruis. Pas toen zij het probleem voorlegden aan astronomen van Princeton University kwamen zij erachter dat deze ruis het signaal van de kosmische achtergrondstraling is. Voor hun ontdekking ontvingen Wilson en Penzias in 1978 de Nobelprijs.

Uitgever

Brave New Books

ISBN

9789464656596

Bladzijden

120