Afbeelding

Foto door Merijn van Stralen.

De avontuurlijke poëzie van Tjitske Jansen

De avontuurlijke poëzie van Tjitske JansenTien jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met de poëzie van Tjitske Jansen. Dit was tijdens een jeugdtheaterkamp van Buitenkunst. Samen met andere jongeren kampeerde ik er een week lang en volgde ik toneellessen.

Tjitske Jansen was voor één avond onze kokkin. Ik zag haar over het grasveld lopen met een grote pan. Vooraf aan het avondeten droeg ze in de grote tent een gedicht voor: ‘De idioot op het dak’ uit haar zeer succesvolle debuutbundel Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003, uitgeverij Podium). Dit gedicht is nog steeds één van mijn favoriete gedichten, vanwege de humor en de actie die erin zit. ‘De idioot op het dak’ gaat over een vrouw die dronken naar het huis van haar ex fietst. Ze belt aan, maar hij doet niet open. Dan besluit ze op het dak te klimmen. Wat volgt is een tragikomisch tafereel:

'gaat er een dakraam open. Een vrouw schreeuwt godverdomme, een mannenhoofd  verschijnt. Ik heb nog nooit van zo dichtbij, vanuit dit perspectief, een mannenhoofd uit een dakraam zien steken. Ik zeg: Ik ben geen inbreker, ik zeg dat ik me schaam, ik vraag of hij vroeg op moet morgen'.

De stijl van het gedicht is verhalend en theatraal, wat in meerdere van haar gedichten terugkomt. Ontroerend vind ik ook haar gedicht over een kastanjeboom die liever een kastanje was gebleven:

'Ik heb nog nooit een reis gemaakt,
ik moest zo nodig wortel schieten.'

Het hele gedicht over de kastanjeboom is samen met een aantal andere van haar gedichten online te lezen. Het theatrale en avontuurlijke in Tjitske’s poëzie inspireert mij bij het schrijven van mijn eigen gedichten.

Voor haar tweede bundel Koerikoeloem (2007, uitgeverij Podium) ontving Tjitske in 2009 de Anna Bijns Prijs. Bijzonder aan deze bundel is dat het bestaat uit prozagedichten en dat elke strofe begint met 'Er was' of 'Er waren'. De bundel neemt je mee naar herinneringen aan haar jeugd: pleeggezinnen, religie en sprookjesfiguren zijn terugkerende onderwerpen. De situaties die Tjitske beschrijft zijn treffend, soms schrijnend:

'Er was mijn broer die voorstelde om kappertje te spelen. Eerst mocht hij mij knippen en daarna ik hem. Toen hij mij geknipt had, mocht ik hem niet meer knippen.'

Tjitske volgde een beeldende kunst- en theateropleiding. In 2001 deed ze mee aan de poetry slam in café Festina Lente, waarin ze de jury- en publieksprijs won. Sindsdien treedt ze op tijdens verschillende literaire festivals.

Tijdens de schrijfworkshops die ik bij haar volgde, besteedde ze ook altijd veel aandacht aan de voordracht van poëzie. Ze gaf als tips dat je bij de voordracht niet te eentonig moest klinken en dat elke witregel in je gedicht ook moet worden uitgesproken. Tijdens haar schrijfworkshops heb ik geleerd dat jeugdherinneringen een grote inspiratiebron kunnen zijn. Schrijven vanuit het perspectief van een kind, zoals zij vaak doet, lijkt makkelijk, maar dat is het niet. De lezer kunnen raken met eenvoudige woordkeuze is namelijk best een kunst. Tjitske werkt inmiddels aan haar derde poëziebundel.