Start » Proeflezen » [kort verhaal] Mank

[kort verhaal] Mank

Door: JWdJ
Op: 4 augustus 2017

Hallo allemaal,

Dit is mijn eerste bericht hier, met daarin het begin van het eerste korte verhaal dat ik geschreven heb/aan het schrijven ben.
Ik hoor graag wat jullie ervan vinden. Specifieke feedback vragen vind ik best wel lastig aangezien ik nog niet zoveel kennis heb over stijl etc. Ik denk dat voor mij de sfeer van de tekst het belangrijkste is, ik zou graag willen weten of er iets van die sfeer overkomt. Verder is alle feedback welkom. Wees vooral eerlijk.

Fragment: 

Er zijn weinig dingen waar ik echt goed in ben, of ben geweest. Maar ik heb menig jongen buitenspel gezet. Als ik met mijn arm zwaaide, waar een te strakke aanvoerdersband omheen zat, kwamen alle blauw-witte in beweging. Trots was ik daarop. Ze luisterde naar mij. Volgden die afgeknelde arm.
Tijdens het douchen stond de afdruk van die trots nog duidelijk zichtbaar in mijn arm. Dan keek ik naar de grond waar grassprietjes naar een vies putje werden gespoeld. Meestal had ik dan mijn onderbroek nog aan. De andere jongens nooit. Daar was ik ze dankbaar voor. Alleen als mijn vader er was deed ik met hen mee. Dan was mijn focus op de wegspoelende grassprietjes groter en was ik veel sneller schoon.

“Je bent toch geen mietje?”, vroeg hij toen hij mij worstelend een natte onderbroek onder een handdoek mijn benen af zag stropen. Wist ik veel. Wist hij veel.

Er ontsnappen prachtige geluiden uit het silhouetje in de boom. De donkerblauwe lucht schiet tussen het snaveltje door. Zouden er ook vogels zijn die hun lied niet durven zingen? Die alleen hun vaders psalmen fluiten als die naast hen op een takje zit. Mijn vader zou mij direct kunnen vertellen welke naam dit diertje heeft gekregen. Met zijn ogen dicht. Zo moet hij het bij mij ook gezien hebben.

Ik wist toen nog niet wat een mietje was. Een soort groente, dacht ik. Ik begreep in ieder geval dat het vies was. Niet dat ik me daar druk over maakte. Ik zocht toen nog niet naar antwoorden zoals ik nu constant doe. Dingen waren gewoon zoals ze waren. Zijn moeder had bijvoorbeeld altijd thee klaarstaan, wanneer hij ook thuiskwam. Alsof ze de hele dag zat te wachten, iets wat ik mij goed voor kon stellen zelf te doen. Aan die thee verbrande ik keer op keer mijn lippen en tong.

Naast elkaar in de vensterbank, onze natte haren tegen het glas dat ons tikkend beschermde tegen de druppels die naar binnen wouden. Of we die zaterdag gewonnen of verloren hadden weet ik niet meer. We hadden naakt onder de douche gestaan. Hij keek naar mij. Ik keek naar hem. We zaten in de vensterbank. Tikkend. Het was alsof het raam verdween en alle druppels van de wereld binnen in mijn lijf zaten en naar buiten wouden. Tikkend, tintelend, kietelend tegen de binnenkant van mijn huid, mijn buik, oogleden, mijn verbrande tong en lippen. Afgevoerd door mijn rillende ruggengraad. In de vensterbank zag ik hoe hij, ijskoud, grote slokken stomende thee nam. Waarom heb ik toen niet gezien dat hij geen mietje was?

Nu zit ik hier op een bankje te kijken naar een vogeltje waarvan ik de naam niet weet. Het zingt zo prachtig dat het wel liefdesverdriet moet hebben.
Zie je dat schriftje tussen mijn voeten op de grond? Met die twee paarden voorop. Een witte en een zwarte, allebei in galop, rennend, draf. Weet ik veel. In dat schriftje schreef ik mijn eerste vrijwillige zinnen. Zijn naam staat op iedere bladzijde bovenaan. Na een lief bijvoeglijk naamwoord. Ik zag die paarden staan grazen tussen mijn oude schoolspullen. Verhalen over hij en mij. Dat we stiekem hand in hand in de kerkbank. Hij bij mij bleef slapen zonder het voor hem bestemde matras aan te raken. Miljoenen zoenen in detail beschreven. Beschrijvingen van zoenen die ik hem nog zou geven. En dan lege bladzijdes, wit. De verhalen stopte toen hij gebruind terug kwam. Wat hij en ik ook waren was niet mee terug genomen. Het moet ergens op een camping een pijnlijke dood zijn overleden. Wat haat ik kamperen. Door die lege bladzijdes.

Waarom houdt dat beest zijn bek niet? Waarom krijst het alsmaar holle klanken de lege nacht in? Ik zal hem uit die boom flikkeren met dit verdomde schriftje. Het zal weten dat niemand naar hem luisteren wil als ik de paarden op zijn snaveltje kapot zal slaan. Niemand zal nog kunnen zien aan welke kant het snaveltje zat. Lachend zal ik luisteren naar het gepruttel van het bloed onder het gewicht van mijn voet. Heel kort en heftig zal ik lachen. Dan zullen tranen komen, en spijt. Ik zal het puddinkje met veren onder mijn voet vandaan schrapen. Ik zal het aaien en op mijn hand de lucht in steken. “Vlieg, vlieg, vlieg maar”, zal ik het toefluisteren, “zing, zing, zing alsjeblieft.”

Reacties

Diana Silver
Laatst aanwezig: 29 min 40 sec geleden
Sinds: 8 Nov 2010
Berichten: 4429

Hoi JW,

Ik ben er stil van. Wat mooi. Het verhaal staat al, daar zou ik weinig nog aan veranderen. Alleen wat details die nog bijgeschaafd zouden kunnen worden, misschien:

ruggengraad/t?

Hij keek naar mij. Ik keek naar hem. - Dit is voor mijn gevoel te cliché. Een beetje iets wat Frans Bouwer zou zingen. Ik vind het niet passen in de - verder zo origineel verwoorde - tekst. Je kunt het denk ik zonder enig verlies van inhoud weglaten: de rest van de alinea is sprekend genoeg.

Waarom heb ik toen niet gezien dat hij geen mietje was? - Deze zin haalde mij uit het ongelooflijk beeldende tableau vivant dat je neerzet in deze alinea. Ik snap de zin niet helemaal. Ik dacht dat je ermee wilde zeggen dat *hij* niet homo was en dat het daarom niets zou worden tussen hem en de ik. Daarom was ik wat verward toen in de alinea daarop bleek dat ze wel degelijk iets begonnen. Wat als je deze zin weg zou laten? Alleen het beeld en het gevoel neerzetten, zonder deze directe vraag aan de lezer?

Het moet ergens op een camping een pijnlijke dood zijn overleden/gestorven?

Wat haat ik kamperen. Door die lege bladzijdes. - Met het woordje 'door' leg je een verband op aan de zinnen. Je forceert een interpretatie. Ik denk dat het poëtischer en gevoeliger zal zijn als je 'door' weglaat. Je zou deze twee zinnen in de leegte kunnen laten hangen, en de lezer zelf maar laten uitvogelen wat het verband is. Wat haat ik kamperen. Al die lege bladzijdes.

De laatste alinea, de omslag naar zo'n heftigheid - een contrast als dag en nacht met de rest van de tekst - die moet staan als een huis. Maar op het moment lijdt hij onder die gekke toekomende tijd. Het telkens herhalen van de opvallende constructie 'zal weten', 'zal luisteren', 'zal lachen'... Daar struikel ik als lezer over. De toekomende tijd gaat het ritme beheersen, terwijl je het ritme hier juist in zou willen zetten om de knalschoten van deze bloedorstige fantasie te onderstrepen.
Een oplossing is misschien om éénmaal aan te geven dat we het heden verlaten en in de gedachten van de ik-persoon in de toekomst kijken:

'In gedachten schiet ik het beest uit de boom. Ik luister lachend naar...'

Dan ben je van 'zullen' af. Maar deze oplossing heeft ook weer een mankement, het 'in gedachten dit en dat' is zelf ook weer een cliché-formulering.

Een andere oplossing kan zijn om je zinnen één voor één een beetje aan te passen om de constructie met 'zullen' te vermijden.

'Ik ga hem uit de boom schieten. Niemand die straks nog naar hem luistert, wanneer de paarden... Dan kan ik lachend luisteren naar het gepruttel... Hysterisch gelach.

En dan, misschien, eindigen met éénmaal het - ietwat formele en weer even ingehouden als in het begin: 'ik zal het aaien en op mijn hand de lucht in steken' - ?

Enfin, tot zo ver. Het zijn suggesties. Doe ermee wat je wilt smile

Een poging tot negenvoudige Sublimatie.

janpmeijers
Laatst aanwezig: 24 min 23 sec geleden
Sinds: 8 Mrt 2013
Berichten: 4790

JWdj,

Sfeer komt over. Alle feedback is welkom - dat is wat vaag.

Het verhaal staat, zoals Diana Silver ook vaststelt.

Aan je stijl valt te schaven:

Citaat:

vroeg hij toen hij mij worstelend een natte onderbroek onder een handdoek mijn benen af zag stropen.

het is teveel info in 1 zin. Neem er de tijd voor, herschrijf het zodat het soepel leest en de lezer het voor zich ziet zonder na te denken. Vermijd daarbij 'toen' en het tegenwoordig deelwoord 'worstelend'. Laat het werkwoord echt werken. 'Ik worstelde'

Citaat:

Ik wist toen nog niet wat een mietje was. Een soort groente, dacht ik.

Probeer dit te herschrijven als 1 vloeiende gedachte, het staat er nu teveel als een mededeling
(ik dacht dat mietje een soort groente was)

Citaat:

Tikkend. Het was alsof het raam verdween en alle druppels van de wereld binnen in mijn lijf zaten en naar buiten wouden.

Die 'alsof' constructie zwakt het af - het is schrijversjargon. Schrijf zoals hij het voelt/beleeft.
'wouden' is erg ouderwets, ik zou het niet doen.

maak hier een scene van ipv de opsomming die het nu is, laat het echt zien zonder 'bijvoorbeeld' en 'alsof'.

Citaat:

Zijn moeder had bijvoorbeeld altijd thee klaarstaan, wanneer hij ook thuiskwam. Alsof ze de hele dag zat te wachten, iets wat ik mij goed voor kon stellen zelf te doen. Aan die thee verbrande ik keer op keer mijn lippen en tong.

De laatste alinea leest gekunsteld door die toekomende tijd (zie ook Diana Silver). Houd het bij ott.

succes

Annette Rijsdam
Laatst aanwezig: 12 uren 49 min geleden
Sinds: 26 Jan 2017
Berichten: 398

Hoi JWdj

mooi gevoelig stuk. Je hebt de nodige goede feedback al gehad. Hier en daar inderdaad ook nog een meervouw/enkelvoud onderonsje waarbij er een 'n vergeten is.

Waar ik wel even m'n hoofd over brak was deze

Meestal had ik dan mijn onderbroek nog aan. De andere jongens nooit. Daar was ik ze dankbaar voor. Alleen als mijn vader er was deed ik met hen mee. [...]

“Je bent toch geen mietje?”, vroeg hij toen hij mij worstelend een natte onderbroek onder een handdoek mijn benen af zag stropen.

Maar je schreef toch dat als je vader erbij was, je wel zonder onderbroek ging douchen? Of is de zin die volgt de oorzaak van wat je eerder schreef? Dat vond ik wat lastig.

Voor de rest erg mooi.

bestaat de perfecte tekst?
blog over schrijven: www.sopendekool.nl

'leeghoofd'
Laatst aanwezig: 1 week 6 dagen geleden
Sinds: 14 Nov 2016
Berichten: 213

Hoi,

Sfeer heb je zeker overgebracht.

Met deze
Waarom heb ik toen niet gezien dat hij geen mietje was? - heb ik hetzelfde als Diana. Hij is geen mietje, vervolgens gaan jullie wel een relatie aan.

Met deze
Meestal had ik dan mijn onderbroek nog aan. De andere jongens nooit. Daar was ik ze dankbaar voor. Alleen als mijn vader er was deed ik met hen mee. [...]“Je bent toch geen mietje?”, vroeg hij
volg ik Annette.

Wat ik wel heb en de andere lezers blijkbaar niet. Je begint over de ploeg, eindigt de eerste alinea met je vader. Over de gehele tekst is de hij-persoon dus je vader? Dus is hij (g) een mietje? En is het zijn moeder, de grootmoeder van HP die thee heeft klaarstaan? Na twee maal lezen komt er volgens mij geen andere hij-persoon in voor, of je moet die met naam vermelden. Dus met wie zat je in de kerkbank, lag je op je bed? Je personages blijven vaag.

Naast elkaar in de vensterbank, onze natte haren tegen het glas dat ons tikkend beschermde tegen de druppels die naar binnen wouden.
In deze alinea komt drie maal tikkend voor, alleen de laatste begrijp ik. Iemand tikkend beschermen is me niet helder. De tikkend die op zich staat ook niet. Verwijzend naar het vorige, we zaten in (op?) de vensterbank, zitten jullie er tikkend? Het kan aan mij liggen, maar ik heb hem niet.

Succes verder!

It's not that I'm afraid to die, I just don't want to be there when it happens. (W. Allen)

JWdJ
Laatst aanwezig: 10 uren 59 min geleden
Sinds: 4 Aug 2017
Berichten: 4

Bedankt voor jullie feedback! Ik ga ermee aan de slag. In het vervolg zal ik proberen specifieke feedback te vragen.

JWdJ
Laatst aanwezig: 10 uren 59 min geleden
Sinds: 4 Aug 2017
Berichten: 4

Bedankt voor jullie feedback! Ik ga ermee aan de slag. In het vervolg zal ik proberen specifieke feedback te vragen.

Arjen Pennist
Laatst aanwezig: 14 uren 28 min geleden
Sinds: 6 Dec 2016
Berichten: 93

Een mooi gevoelig stuk, het raakt me.

Een aantal onduidelijke zinnen, zoals de in de hierboven vermelde feedback's.

Maar mijn complimenten voor je mooie natuurlijke/gevoelige taalgebruik en stijl.

Succes!

Herrie Mulles
Laatst aanwezig: 1 week 12 uren geleden
Sinds: 23 Jul 2017
Berichten: 25

Mijn tip, besteed zo veel mogelijk aandacht aan het ordenen van je gedachten. Neem bijv. de twee eerste regels:

JWdJ schreef:

‘Er zijn weinig dingen waar ik echt goed in ben (…) Maar ik heb menig jongen buitenspel gezet.’

Hier is geen sprake van een zuivere tegenstelling. Omdat je, volgens mij, wil zeggen, ‘In een paar dingen ben ik echt goed, zoals jongens buitenspel zetten’, vraag ik me af, waarom je het woord ‘maar’ gebruikt. Dat woord zou bijv. op z’n plaats zijn als je zou schrijven: ‘Ik ben nérgens goed in, maar ik heb toch menig jongen buitenspel gezet’ – en deze zin kent ook een probleem, hoor. Omdat ik met de zin zeg, ik ben wél goed in het buitenspel zetten van…, terwijl ik daarvoor nog heb gezegd, dat ik nérgens goed in ben – of ben ik dankzij dat niets kunnen, goed in het buitenspel doen belanden van de tegenspeler? Omdat ik bijv. alleen maar als verdediger mag spelen, en door mijn onhandige spel per ongeluk keer op keer een aanvaller van de tegenpartij buitenspel doe staan?

(En trouwens, waarom draagt jouw personage de aanvoerdersband? Is het buitenspel zetten zo’n belangrijke vaardigheid bij het voetballen, dat de beste daarin tot aanvoerder wordt benoemd?)

Die ‘maar’ is een probleem, hoor. Ik denk dat die bij een oppervlakkige lezing gecamoufleerd wordt door dat, ‘(…) of ben geweest’. Waarmee je trouwens zegt: ik bén en wás in weinig dingen echt goed. Is dat niet overbodig? Want als je schrijft dat een personage in weinig dingen echt goed is, dan zal dit hoogstwaarschijnlijk nooit anders zijn geweest – tenzij je wil benadrukken, dat het vroeger anders is geweest… maar dat is hier niet het geval.

Waarom vermeld je niet nadrukkelijk dat de hoofdpersoon aanvoerder is van de voetbalploeg? Het is hinderlijk om dit weg te laten.

JWdJ schreef:

‘Volgden die afgeknelde arm.’

Een afgeknelde arm, is ongezond en kan gevaarlijk worden. Als de andere spelers in de ploeg van jouw personage die arm volgen, zullen ze vrees ik weinig presteren.

Mooie vergelijking
Deze zin, althans de betekenis, de herhaling van het benoemen van die trots, dat je bij het schrijven zo denkt, zo’n inval hebt, is knap:

JWdJ schreef:

‘Tijdens het douchen stond de afdruk van die trots nog duidelijk zichtbaar in mijn arm.’

Want de trots en de aanvoerdersband zijn hier uitwisselbaar. Het is een mooie vergelijking, die overeind blijft.

Afgehaakt
Daarna ben ik afgehaakt, want ik kon het niet meer volgen.

JWdJ schreef:

‘Meestal had ik dan mijn onderbroek nog aan.’

Tijdens het douchen?

JWdJ schreef:

‘De andere jongens nooit. Daar was ik ze dankbaar voor.’

Waarom is het personage de andere jongens dankbaar voor het kennelijk douchen zonder onderbroek?

JWdJ schreef:

‘Alleen als mijn vader er was’

Tijdens het douchen? En zo ja, waarom stond zijn vader met de neus erbij tijdens het douchen? Is hij coach?

JWdJ schreef:

‘(…) deed ik met hen mee. ‘

Waaraan deed je mee?

JWdJ schreef:

‘Er ontsnappen prachtige geluiden uit het silhouetje in de boom’

Een silhouet produceert bij mijn weten geen geluid. Het klinkt flauw, en ik snap ook wel dat je een vergelijking probeert te maken, maar dat werkt zo niet. Hoe verwordt een vogel in een boom tot een silhouet? Dan moet er sprake zijn van een zeer specifieke lichtval, waardoor er geen kleuren meer waarneembaar zijn, alleen genoeg licht om een schaduw van een vogel te produceren. En dan zijn we er nog niet: want waar wordt die schaduw op geprojecteerd? Op het loof? Heel moeilijk te realiseren deze vergelijking.

JWdJ schreef:

‘De donkerblauwe lucht schiet tussen het snaveltje door.’

Tja, een silhouet van een vogeltje met open snavel. Die snavel moet wel heel wijd open staan, wil de voorbij ‘schietende’ lucht zichtbaar zijn. Oh, en is hier sprake van een timelapse video? Ik vraag dat omdat de lucht kennelijk voorbijschiet.

En dan deze nog:

JWdJ schreef:

Zijn moeder had bijvoorbeeld altijd thee klaarstaan…

Wordt hier de moeder van de vader bedoeld? Is zij dan niet gewoon de grootmoeder van het personage? En zo ja, waarom zeg je dat niet?

De hierboven aangestipte puntjes, lijken misschien op muggenziften. Maar dat is niet zo, het zijn kwesties waar onbedoelde dubbelzinnigheid de kop opsteekt.

Interpretatie
Ik krijg (wellicht door jou onbedoeld) de indruk, dat de vader niet echt de vader van het personage is, maar de perverse coach van het kinderelftal, die door de kinderen (Lord) Vader wordt genoemd. Hij daagt kinderen in de kleedkamer uit om mee te doen aan zijn vieze spelletjes. Het kind dat niet mee doet, wordt voor ‘mietje’ uitgemaakt. Het kind dat juist geestdriftig meedoet, krijgt de aanvoerdersband.

Tot slot
Dit is jouw verhaal. Het is wat jij wil zeggen. Nu moet je het nog daadwerkelijk weten te vertellen. En dat is gewoon heel erg moeilijk. Je verhaal, zoals het nu is, lijkt meer op een ruwe schets, boordevol ideeën die uitgewerkt moeten worden. Probeer de vragen wie, wat, waar bij het schrijven in je achterhoofd houden: en stel ze bij het lezen van je tekst.

Nou, maak er een meesterwerk van, zou ik zeggen. En als je het hebt herschreven, gewoon opnieuw publiceren op deze website.

JWdJ
Laatst aanwezig: 10 uren 59 min geleden
Sinds: 4 Aug 2017
Berichten: 4

Hallo allemaal,

Nogmaals bedankt voor de feedback die ik van jullie heb gekregen. Wat kan het maken van correcte zinnen een gepuzzel zijn. Ik merk dat ik hierin nog veel te leren heb. Veel van de feedback die ik van jullie kreeg had ik zelf nooit ontdekt. Grammatica en zinsopbouw zijn niet mijn sterkste punten. Ik heb mijn best gedaan om de feedback van de vorige keer te verwerken. Ik ben alleen bang dat ik in het herschrijven weer precies dezelfde fouten heb gemaakt.

- Zien jullie zinnen die niet correct zijn of niet logisch?

- Is het verschil tussen 'de vader (in het begin)' en de 'hij' (in het vervolg) in het verhaal nu duidelijker?

- De laatste alinea was eerst geheel in toekomende tijd geschreven. Zorgt deze herschreven versie voor verwarring?

Bij voorbaat dank voor alle reacties!

Fragment:

Ik weet nog hoe het voelde. Allemaal hetzelfde shirtje aan. Een gezamenlijk doel. Als ik met mijn arm zwaaide, waar een te strakke aanvoerdersband omheen zat, kwamen alle blauw-witte jongens in beweging. Trots was ik daarop. Ze volgden mijn afgeknelde arm.
Tijdens het douchen stond de afdruk van die trots nog duidelijk zichtbaar in mijn arm. Dan keek ik naar de grond waar grassprietjes naar een vies putje werden gespoeld. Meestal had ik dan mijn onderbroek nog aan. De andere jongens nooit. Daar was ik ze dankbaar voor. Alleen als mijn vader mij vanaf de zijlijn onzeker had gemaakt stond ook ik naakt onder een lauwe en zwakke waterstraal. “Je bent toch geen mietje?”, had mijn vader mij ooit onderweg naar huis gevraagd. Hij had door de openstaande deur van de kleedkamer gezien hoe ik, met een handdoek om mijn middel, uit een natte onderbroek probeerde te ontsnappen. Zijn zoon moest gewoon normaal zijn en doen.

Er ontsnappen prachtige geluiden uit het silhouetje in de boom. De donkerblauwe lucht lijkt met de klanken mee te trillen. Sterren fonkelen uit de maat. Zouden er ook vogels zijn die hun lied niet durven zingen? Die alleen hun vaders psalmen fluiten als die naast hen op een takje zit te luisteren. Mijn vader zou mij direct kunnen vertellen welke naam dit schepseltje heeft gekregen. Met zijn ogen dicht. Zo moet hij het bij mij ook gezien hebben. Je maakt van een mus geen merel, papa. Voor god is niets onmogelijk, zoon.

Als iemand mij toen had verteld wat een mietje was.. Misschien had ik mijzelf dan beter begrepen. Ik dacht dat een mietje een groente was. Dat mietjes vies waren was wel duidelijk. Als jongetje zocht ik nog niet naar antwoorden zoals ik nu constant doe. Dingen waren gewoon zoals ze waren. Zo had de moeder van onze spits altijd thee klaarstaan. Wanneer hij ook thuiskwam. Ze leek de hele dag met thee op hem te wachten, iets wat ik mij goed voor kon stellen zelf te doen.

Met die thee zaten we naast elkaar in de vensterbank, onze natte haren tegen het glas dat de druppels en de wind, waarin we net hadden gevoetbald, buiten hield. Of we die zaterdag wonnen of verloren weet ik niet meer. We hadden naakt onder de douche gestaan. Ik volgde daar de adembenemende route van een grassprietje dat ergens vanuit zijn haar over zijn lichaam naar het doucheputje slingerde. In de vensterbank zag ik hoe hij, ijskoud, grote slokken stomende thee nam. Toen verdween het raam en zaten alle druppels en windrichtingen van de wereld binnen in mijn lijf. Tikkend, tintelend, kietelend tegen de binnenkant van mijn huid, mijn buik, oogleden, mijn tong en lippen die verbrand afscheid namen van de thee die door mijn rillende ruggengraat wegspoelde.

Nu zit ik hier op een bankje te kijken naar een vogeltje waarvan ik de naam niet weet. Het zingt zo prachtig dat het wel liefdesverdriet moet hebben.
Zie je dat schriftje tussen mijn voeten op de grond liggen? Twee paarden voorop. Een witte en een zwarte, allebei in galop, rennend, of draf. Weet ik veel. In dat schriftje schreef ik mijn eerste vrijwillige zinnen. Zijn naam staat op iedere bladzijde bovenaan. Na een lief bijvoeglijk naamwoord. Ik zag die paarden staan grazen tussen mijn oude schoolspullen. Verhalen over hij en mij. Dat we stiekem hand in hand in de kerkbank. Hij bij mij bleef slapen zonder het voor hem bestemde matras aan te raken. Miljoenen zoenen in detail beschreven. Beschrijvingen van zoenen die ik hem nog zou geven. En dan lege bladzijdes, wit. De verhalen stopte toen hij gebruind terug kwam. Wat hij en ik ook waren was niet mee terug genomen. Het moet ergens op een camping een pijnlijke dood zijn gestorven. Wat haat ik kamperen. Wat haat ik die lege bladzijdes.

Waarom houdt dat beest zijn bek niet? Waarom krijst het alsmaar holle klanken de lege nacht in? Zal ik hem uit die boom flikkeren met dit verdomde schriftje. Dan weet hij dat niemand naar hem luisteren wil en kan ik de paarden op zijn snaveltje kapot slaan. Ik zie het diertje nu al op zijn rugje liggen in het gras. Lachend luister ik naar het gepruttel van het bloed onder het gewicht van mijn voet. Heel kort en hard lach ik. Dan komen tranen, en spijt. Ik schraap het puddinkje met veren onder mijn voet vandaan. Ik aai het en steek het op mijn hand de lucht in. “Vlieg, vlieg, vlieg maar”, fluister ik het toe, “zing, zing, zing alsjeblieft.” Ik zou dan, ergens op een rommelmarkt, een gouden kooitje kopen om het lijkje in te bewaren. Met het deurtje altijd open. Ik kijk, het is stil. Hij is al weggevlogen.

janpmeijers
Laatst aanwezig: 24 min 24 sec geleden
Sinds: 8 Mrt 2013
Berichten: 4790

JWdj,

Er is meer samenhang, de vader en hij zijn voor mij duidelijk. De tijden vind ik prima.
Het hele verhaal gaat naar mijn smaak wel gebukt onder de reflectie vanuit het heden.
Wat als je de fragmenten uit het verleden als op zichzelf staande eenheden(scenes) behandelt?
Nu heeft het verleden toch het karakter van opa vertelt: ik weet nog toen, enz.

Citaat:

Ik weet nog hoe het voelde. Allemaal hetzelfde shirtje aan. Een gezamenlijk doel. Als ik met mijn arm zwaaide, waar een te strakke aanvoerdersband omheen zat, kwamen alle blauw-witte jongens in beweging. Trots was ik daarop.

Zonder die reflectie, terug in de tijd met jouw woorden:

We droegen dezelfde shirts, een gezamenlijk doel. Ik zwaaide met mijn arm, waar een strakke aanvoerdersband omheen zat. De blauw-witte jongens bewogen, trots was ik.

Kijk eens of je iets hebt aan dit artikel:
http://www.schrijvenonline.org/fragment/schrijven-...

succes

Lees Tekstblad!

Neem een (proef)abonnement
Iedere week de leukste schrijfwedstrijden? Meld je aan voor de Schrijven Nieuwsb

Meld je aan voor de Schrijven Nieuwsbrief.

Het is gratis!
Schrijles van Arthur Japin? Kom naar de Schrijven Magazine Schrijfdag 2017!

Kom naar de Schrijven Magazine Schrijfdag 2017!

Bestel snel je tickets!
Schrijven Magazine SUPERAANBIEDING

Korting én 3 cadeaus!

Word nu abonnee!