Start » Oefening » Schrijven is taal: vind je eigen stem

Schrijven is taal: vind je eigen stem

Schrijven is fantasie, ideeën kunnen genereren, personages in conflict brengen en scènes bedenken. Maar bovenal is schrijven werken met taal. Hoe kun je je stijl verbeteren en je verhalen vloeiender, sterker en fascinerender maken? Zes oefeningen om je taalvermogen te vergroten en je eigen stem te vinden.

Deel 1: De beste taal is de eigen taal

Schrijvers schrijven met taal. Zoals de schilder zijn verftubes, inkten of pigmenten gebruikt, zo heeft de schrijver letters, woorden en zinnen tot onze beschikking. De taal met al zijn mogelijkheden, maar ook met al zijn eigenaardigheden.

Schrijvers zijn meestal taalfreaks. Ze houden ervan met taal te spelen, woorden om te draaien of te verhaspelen, rare rijmpjes te maken of cryptogrammen op te lossen. Heb je die eigenschappen niet, dan wordt schrijven lastig: dan is taal geen spel meer, maar een klus. Hard werken.

Het belangrijkste is dat je moet proberen om je eigen taal te vinden. Taal die niet van iemand anders is: niet van de media, niet van de politici, niet van je vrienden of vriendinnen. Taal die bevrijd is van clichés en mode-uitdrukkingen. Of die daar bovenstaat en misschien wel mee speelt. Die zoektocht naar die eigen taal kan lang duren, want vergis je niet hoe lang en langdurig je bloot hebt gestaan aan de ‘zeg maars’ en ‘ik heb wel eens iets van…’. Alles moet eraf geschraapt worden om onder al die lagen je eigen taal terug te vinden.

Oefening:

We beginnen ons los te schrijven.

  • Schrijf een stukje van honderd woorden over hoe het voor een personage is om bij de zee te zijn, aan de kust. Gebruik je zintuigen. Wat ziet je personage, wat hoort, voelt, ruikt, proeft hij of zij? Welke gevoelens komen bij hem of haar op?
  • Zorg dat je ons laat voelen hoe het is aan zee te zijn, zonder dat je dat gevoel benoemt. Vermijd dus woorden als ‘opgetogen’, ‘droef’, ‘juichend’, ‘eenzaam’ of ‘boos’.
  • Vermijd zoveel mogelijk clichés en andere vaste uitdrukkingen.
  • Probeer zoveel mogelijk in je ‘eigen woorden’ te schrijven.
  • Lees nu verhalen of delen van romans die aan zee spelen, om te kijken hoe andere schrijvers dat deden. Voorbeeld: ‘Terug naar Oegstgeest’ van Jan Wolkers, ‘De oude man en de zee’ van Hemingway of reisverhalen van Jan Brokken.


Deel 2: Dit woord is mijn woord

Hoe kom je aan een eigen taal, een eigen stijl? Allereerst door je in de taal te verdiepen. Door ermee te spelen. Door hem naar je hand te zetten. Neem bijvoorbeeld een woordenboek en lees daar elke dag een pagina uit. Kijk naar de patronen, de eigenaardigheden, schrijf interessante nieuwe woorden en observaties op.

Taal vormt een uniek reservoir. Uit de zesentwintig letters en de vijftien leestekens zijn duizenden woorden te vormen. Het echte schrijven begint met die woorden. De kennis over die woorden. De fijnzinnigheden van die woorden.

Probeer taal ook in je dagelijkse bezigheden te vervlechten. Neem altijd een notitieboekje mee, waarmee je gespreksflarden, leuke zinnen en uitdrukkingen opschrijft - van anderen, maar soms ook van jezelf.

‘Mama, dat was een vieze stinkkottik,’ zei een kindje ooit in de trein, toen er een nogal luidruchtig geklede Gothic naast haar had gezeten. ‘Vieze stinkkottik’ - het is een scheldwoord, maar het is ook grappig, zeker uit de eerlijke mond van een kind. En bovendien: al die k’s en twee s-klanken maken het ook een bijzondere combinatie, zeker met dat rare woord ‘kottik’ erbij.

Gebruik dit soort rare situaties om je eigen taal te maken, te vinden. Want: jij bent de enige die dit hoorde. Die dit noteerde. Die hier bij stil stond. Gebruik dat soort opgevangen flarden en uitdrukkingen, en blijf er een tijd bij stilstaan. Waarom heb je dit onthouden? Wat zit er allemaal in die woorden? Hoe zou je hier een verhaal, een column of een gedicht van kunnen maken?

Oefening:

We gaan het woordenboek gebruiken.

  • Sla het woordenboek open, op de pagina waarin het woord ‘zee’, ‘strand’ of ‘kust’ staat.
  • Lees die pagina nauwgezet en zet je ‘taalsensor’ aan.
  • Noteer woorden of omschrijvingen die je verwonderen, storen, doen lachen: als er maar iets met je gebeurt.
  • Leg het woordenboek nu weg.
  • Kies een van de woorden of omschrijvingen - het liefst het woord dat je de meeste gevoelens en gedachten opleverde.
  • Onderzoek het woord. Schrijf er notities over. Over de klank, de vorm, de inhoud. Associeer, verzin, probeer ideeën rond het woord te verzamelen.
  • Schrijf nu een korte schets rond dit woord: dat mag (het begin van) een verhaaltje zijn, een schets, een column of een gedicht.


Deel 3: Zin in woorden

Woorden vormen het begin van taal en het begin van het schrijven. Maar woorden zijn natuurlijk niet voldoende. Het gaat om de combinaties van woorden, in de vorm van zinnen. Volwassen lezers lezen bijvoorbeeld met zo’n hoge snelheid dat ze niet de afzonderlijke woorden zien maar woordgroepen van vier tot vijf woorden. Die woordgroepen vormen samen zinnen, die in een bepaald ritme en met een bepaalde klank in ons innerlijk oor klinken.

Goede schrijvers weten hoe dit werkt. Hoe je van een paar goedgekozen woorden een mooie vloeiende zin maakt. Hoe je van drie, vijf of elf woorden verrassende taal kneedt. Hoe je je zinnen tempo kunt geven, of juist de handeling kunt laten vertragen. Hoe je een gevoel in de lezer kunt injecteren, zonder dat je daarvoor de gevoelswoorden zélf hoeft te gebruiken.

Lees bijvoorbeeld dit stukje uit Jan Wolkers uit zijn boek Groeten van Rottumerplaat (1971). ‘Toen ik langs de oostelijke kant van het eiland naar de Noordzee liep, zag ik dat het water in het diep tussen hier en Rottumeroog op een vreemde manier in beweging was. Het kolkte en rimpelde en soms trokken er strepen van dik water over het oppervlak. En toen gebeurde het ineens. Ze sprongen met tientallen tegelijk boven het water uit. Grote zilverkleurige gepen. Ik schrok ervan. Want het waren geen dartele sprongen boven dat zoute water uit. Het leek wel of ze door een enorme angst gedreven hun element wilden ontvluchten. Wild en onbeheerst. Flitsend en blinkend als lemmetten. De ochtend van de lange messen.’

Oefening:

  • Blader een tijdschrift door, op zoek naar een interessant gezicht. Een man, een vrouw, oud, jong, lelijk, mooi, groot, klein: alles kan. Als het gezicht je maar iets doet.
  • Geef deze persoon een naam. (Als hij/zij die al heeft: geef hem/haar een andere, door jou gekozen, naam).
  • Geef dit personage een achtergrond. Wie is hij of zij, wat is zijn/haar achtergrond, werk, gezinssituatie, liefhebberijen? Wat drijft hem/haar? Wat is zijn/haar diepste wens?
  • Ga terug naar de tekst die je schreef bij de eerste oefening.
  • Zet dit personage in de door jouw beschreven plek: ergens aan de kust, bij de zee.
  • Wat doet dit personage hier?
  • Schrijf een kort verhaal, waarin je personage bij de kust aankomt. Vertel niet precies wát hij of zij komt doen, maar geef ons wel een hint. Suggereer met je woorden, hoe ze zich voelt.
  • Let vooral op de klank en het ritme van woorden. Somberheid wordt opgewekt door lange woorden met lage klanken, vrolijkheid juist door hoge korte klanken. Zoek naar de woorden die dit gevoel op een subtiele manier kunnen uitdrukken.


Deel 4: Concreet en precies

Waar elke schrijver uiteindelijk op hoopt, is een eigen, unieke, vloeiende, scherpe, bijzondere stijl te ontwikkelen. Zo’n stijl die lezers herkennen, waardoor ze je boeken gaan kopen. Een stijl die een handelsmerk wordt, een wapen, een verkoopargument. Een stijl die je in een kort fragment al herkent. Neem bijvoorbeeld een paar zinnetjes van het bovenstaande Wolkers-citaat. Dat herken je al van verre. Hetzelfde kun je met een tekst van Gerard Reve, Arnon Grunberg, Charlotte Mutsaers of Hella Haasse doen.

‘Daarom werd hij wel eens in elkaar geslagen, want mensen houden niet van struikrovers. Hij sloeg ons ook wel eens in elkaar, en Raffaella sloeg hij wel eens in elkaar, want als je heel vaak in elkaar wordt geslagen, wil je zelf ook wel eens in elkaar slaan.' Uiteindelijk is de vader met een knuppel doodgeslagen door iemand die dat jaar al vier keer was bestolen..’ Dat kan niemand anders dan Grunberg zijn, met al die herhalingen en omdraaiingen. (Uit: De heilige Antonio).

Maar jij bent Grunberg niet, en probeer hem daarom ook niet na te doen. Er zijn al genoeg Grunbergklonen. Zoek je eigen stem.

Hoe kom je daaraan? Allereerst: gebruik - zeker in het begin - niet al te buitenissige woorden. Gebruik gewone woorden. Mensen schreiden niet over straat, maar lopen. Ze concipiëren niet, maar bedenken gewoon.

Ten tweede: gebruik liever korte dan lange woorden. Gebruik de lange woorden alleen als je daarmee iets van plan bent: het tempo vertragen, of de nadruk leggen op dat woord.

Ten derde: gebruik zo concreet mogelijke woorden. Wees zo specifiek mogelijk. Liever: ‘Hij was de enige van de vijf zoons die nog over was’, dan: ‘Hij voelde zich eenzaam.’

Oefening:

Ga terug naar de tekst die je hiervoor geschreven hebt.

  • Kijk of er rare, ouderwetse, buitenissige woorden in je tekst staan.
  • Hebben die een functie?
  • Kun je ze niet beter vervangen door een gewoner woord?
  • Kijk ook naar de lengte van de woorden. Kunnen ze korter?
  • Hoe specifiek en concreet kun je je woorden en zinnen maken?
  • Kijk ook naar de bijvoeglijke naamwoorden: heb je ze allemaal nodig? Kunnen je zelfstandige naamwoorden ook zonder?


Deel 5: Hardop

De taal die het beste bij je past, is de taal die natuurlijk voor je is. Die echt is. Die voelt alsof hij diep van binnenuit jou komt. Probeer dan ook niet elke zin vijf, tien of twintig keer te herschrijven. Probeer in plaats daarvan liever een tijdje door te schrijven in een bepaalde stem. Geef jezelf daarbij opdrachten. Nu boos schrijven. Nu gehaast. Nu moet het langzaam klinken. Nu droef. Nu moet je steeds vrolijker proberen te klinken. Nu als een oude man die terugkijkt op zijn leven.

Zoek naar de taal en de stem die het beste bij je past. Geef jezelf de mogelijkheid om ‘vrij’ te schrijven, je stem diep uit jezelf te halen en naar voren laten komen. Wat er op een zeker moment uit je pen komt, is misschien wel heel bijzonder, zeer puntig en eigen. Verras jezelf. Durf je stem op te zoeken.

Lees je zinnen ook altijd voor, als je een goede passage hebt geschreven. Lees ze langzaam voor, en proef de woorden, het ritme, de klanken. Voel waar je buiten adem raakt of waar de toon verandert. Klopt dat met je in je hoofd had? Is het effect juist op deze plaats? Geef aan waar het beter moet, waar je mogelijkheden ziet om de woorden en zinnen te verbeteren.

Oefening:

We gaan terug naar de kust. Je personage is daar aangekomen. Hij of zij gaat naar een strandhuis. Als hij of zij er bijna is, zwaait de deur open. Een oude man doet open, tranen in de ogen.

  • Verzin wat er gebeurt kan zijn.
  • Waarom heeft de oude man tranen in zijn ogen?
  • Wat relatie heeft hij met je personage?
  • Waarom woont de oude man aan de kust?
  • Nu heb je het achterliggende verhaal bedacht. Schrijf nu de scène helemaal uit. Je mag echter geen dialoogtekst gebruiken. Je schrijft vanaf een afstand, als een voyeur, alsof je met een verrekijker de gebeurtenissen gadeslaat. Je kunt alleen maar kijken, niet horen. We moeten uit de handelingen en beschrijvingen van de twee personages op kunnen maken wat er aan de hand is. Gebruik daarvoor e juiste woorden en de juiste beschrijvingen.


Deel 6: Laat je darlings leven

Een slechte jeugd is een goudmijn voor een schrijver, zei Gerard Reve ooit. Hetzelfde kun je zeggen van “een eigen stem”. Heb je die eenmaal gevonden, kun je het hele orgel van je taal zo bespelen als je dat wilt, dan heb je een goudmijn aangeboord. Gerard Reve’s brievenboeken zijn ‘geoudehoer’, zoals de schrijver zelf meermaals aangaf, maar wel ‘geoudehoer waar Gods zegen op rust'.

Reve’s verhalen uit de jaren vijftig zijn wat dat betreft een stuk minder interessant. De taal is krampachtig: hij probeerde zich een stijl aan te meten die niet de zijne was.

Nu we toch schrijfwetten aan het citeren zijn: Kill your darlings. Mark Twain schijnt dat gezegd te hebben. Of William Faulkner. Wat ze ermee bedoelden was: wees bereid om je prachtigste vondsten op te offeren, als blijkt dat ze niet werken.

Op een ander niveau moet je echter nooit je lievelingen om zeep helpen. Namelijk in je stijl. Als je de eigenaardigheden uit je taal haalt, haal je ook de eigenheid weg. Gerard Reve was al jong een vroegwijs mannetje dat graag een beetje ouderwetsig sprak. Niet: weer, maar wederom. Niet meneer, maar mijnheer. Het mooist klonk dat bij de volkse woorden, waar het een ironisch effect opleverde: geoudehoer in plaats van geouwehoer. In de jaren vijftig probeerde hij hier los van te komen, maar pas toen Reve deze stijl in zijn brieven durfde te gebruiken, vond hij zijn eigen stem terug. Dus: kijk uit welke ‘darlings’ je om zeep brengt.

Oefening:

  • Wat zijn de eigenaardigheden van jouw taal?
  • Vraag het desnoods aan anderen: hoe herkennen ze jouw stijl? Wat is kenmerkend voor je manier van praten? Welke woorden, zinswendingen, uitdrukkingen, klanken, tempi gebruik je die cruciaal zijn voor jouw taal?
  • Zit die manier van praten, schrijven, beschrijven voldoende in het door jouw geschreven stuk over de twee personages aan de kust?
  • Hoe zou je je tekst aan kunnen passen, zodat jouw stem daar uit klinkt?
  • Herschrijf je verhaal zo dat je eigen stem beter tevoorschijn komt.
  • Durf te overdrijven. Durf je eigen stijl op te peppen.
  • Maak je verhaal af en geef ruimte aan je eigen stem.


Meer schrijfoefeningen...

Heb je een tip voor een onderwerp van een schrijfoefening? Stuur dan een mailtje hier.

Moleskine cadeau? Neem nu een abonnement op Schrijven Magazine!

Gratis Moleskine opschrijfboekje bij een abonnement op Schrijven Magazine!

Bestel nu!
Boek schrijven? Lees Schrijven Magazine!

Lees het komende nummer van Schrijven Magazine. Word vóór maandag 27 maart 16.00 u....

Profiteer nu!
Alice, het literaire tijdschrift van Schrijven Magazine

Voortaan in iedere editie van Schrijven Magazine!

Lees meer
Schrijven Magazine: geen nummer meer missen?

Neem nu een abonnement op Schrijven Magazine! Profiteer van onze superaanbieding!

Profiteer nu!