Start » Oefening » Personages

Personages

Elk verhaal, toneelstuk, elke novelle of roman draait om personages. Maar hoe worden je hoofd- en bijfiguren boeiend en levensecht?

Deel 1: Het begin

Iedere schrijven heeft voorkeur voor z'n eigen soort personages. Gerard Reve's personages lijken bij nader inzien allemaal een beetje op hem - hun zieleroerselen zijn sterk verwant aan elkaar. Simon Carmiggelt had een hele andere voorkeur: voor kleurrijke melancholische types die onderling zeer verschillend waren, en weinig met de schrijver van cursiefjes zelf gemeen hadden.

Oefening:

Bepaal waar je jezelf het meest verwant mee voelt: met 'bekende', eigen personages of met vreemde personages. Probeer te achterhalen waarom je deze voorkeur hebt. Geef aan waarin je personages overeenkomen met jouzelf, en ook waarin ze afwijken. Bedenk: waarom is dit?


Deel 2: Schijn en werkelijkheid

Niet elke personage hoeft een kopie te zijn van een bestaand persoon. Sterker nog: hoe meer je je personage aanpast aan het verhaal, de thematiek en je stijl hoe sterker hij wordt. Probeer daarom niet álles te kopiëren van je eigen ervaringen.

Oefening:

Neem een vel papier en trek een verticale lijn. Beschrijf op de linkerhelft een bekende persoon die je al enige tijd wilt gebruiken voor een verhaal of toneelstuk (van uiterlijke kenmerken tot innterlijke drijfveren). Zet op de rechterhelft hoe je deze kenmerken zou aanpassen om geschikt te maken voor je verhaal.


Deel 3: Echte bronnen

Een personage kan geheel uit de fantasie ontstaan, zoals vele schrijvers hebben aangetoond - van J.K. Rowlings Harry Potter tot Stephen Spielbergs E.T.. Om dat te kunnen doen moet je je associatieve denkvermogen gebruiken. Iets uit het niets opbouwen. Daarmee maak je natuurlijk gebruik van je eigen ervaringen, maar soms kun je beter met materiaal van buitenaf werken. Daardoor ontstaan vaak wonderlijke sprongen door die je verhaal een belangrijke wending kunnen geven.

Oefening:

Neem een foto van een onbekende of een verhaal uit de krant dat je heeft geraakt. Verzin wie deze persoon (m/v) is, wat hij doet, waar hij woont, wat z'n ideeën zijn en hoe hij in een bepaalde dramatische situatie terecht is gekomen.


Deel 4: Kjken, kijken

Een andere methode om een personage op te bouwen, is te observeren. Geen mooier tijdverdrijf dan op het terras van een café of restaurant van elke voorbijganger verzinnen wie dit is, waar hij woont en wat hij doet. Breng ook eens een paar uur door op andere plekken waar je zonder veel moeite mensen kunt observeren: in het postkantoor, op de pont, in de supermarkt. Zet je ogen, oren en neus wijdopen.

Oefening:

Observeer een persoon in z'n dagelijkse doen (werken, wonen, winkelen). Schrijf op hoe deze eruit ziet, hoe zijn houding is, hoe hij beweegt, praat, doet. Wat valt je het meest op? Wat voor soort verhaal komt je voor ogen? Schrijf het verhaal uit.


Deel 5: Geef jezelf kinderen, ouders

Waar veel schrijvers het meeste moeite mee hebben, is een personage op te roepen dat ver van hun af staat. Veel mannen kunnen geen fatsoenlijke vrouwenpersonages verzinnen (Tolkien), anderen kunnen geen kinderen oproepen (Voskuil). Deze blokkade is vaak op te heffen door de lastige personages dicht bij jezelf te houden en met een eenvoudige 'translatie' op te roepen. Oftewel: splits de lastige personages van jezelf af.

Oefening:

Om een ouder iemand als personage op te voeren kan de volgende oefening van dienst zijn. Geef je zelf imaginaire ouders. Wie zou je vader en moeder kunnen zijn als je had mogen kiezen? Nog een stapje verder: verzin de ouders van een bekend persoon - een VIP of een vriend. Neem deze als uitgangspunt voor je personage. Schrijf een verhaal rond een van deze fictieve ouders
Hetzelfde kun je doen met kinderen. Schenk jezelf (of een bekend persoon) imaginaire kinderen. Stel dat de oudste in een moeilijke situatie is terechtgekomen (iets gestolen, vernield; veel te laat 's nachts thuis gekomen). Schrijf een dialoog tussen ouder en kind.


Deel 6: Stelen mag

Stelen mag, in de literatuur. Met mate natuurlijk en vooral: met eigen inzicht, persoonlijkheid en inventiviteit. Shakespeare was een meester, werkelijk geen enkel klein of groot personage uit de middeleeuwen of uit de klassieke teksten was veilig voor hem - van Richard II tot Romeo en Julia. Wat Shakespeare deed, gebeurt nog steeds. Hoe vaak is Robinson Crusoë niet geïmiteerd of als tegenspeler gebruikt, zoals in Coetzee's 'Foe'. Conclusie: een personage is iemand die je in je eigen verhaal, dialoog of roman mag gebruiken, maar die best eerder, in een andere tijd of andere omgeving mag zijn geboren.

Oefening:

Neem twee personages uit boeken die veel indruk op je hebben gemaakt. Bijvoorbeeld: Guinevere uit de Arthur-legende en Lin uit Oek de Jong's 'Hokwerda's dochter'. Plaats ze tegenover elkaar aan het eind van hun verhaal, in een hedendaagse setting. Waar zijn ze, waar komen ze elkaar tegen, wat zeggen ze tegen elkaar? Maak er een kort verhaal van of een dialoog. Je kunt deze oefening vaker doen door oude personages in een nieuwe situatie te plaatsen.


Meer schrijfoefeningen...

Heb je een tip voor een onderwerp van een schrijfoefening? Stuur dan een mailtje hier.

Schrijven Magazine SUPERAANBIEDING

Korting én 3 cadeaus!

Word nu abonnee!
In ieder nummer van Schrijven Magazine: schrijftips van Gouden Griffel-winnaar

In ieder nummer van Schrijven Magazine: schrijftips van Gouden Griffel-winnaar Mireille Geus!...

Word nu abonnee!
Moleskine cadeau? Neem nu een abonnement op Schrijven Magazine!

Gratis Moleskine opschrijfboekje bij een abonnement op Schrijven Magazine!

Bestel nu!
Gratis bij Schrijven Magazine: 1 jaar Van Dale Online Taalhandboek Nederlands

Gratis bij een abonnement op Schrijven Magazine!

Word nu abonnee!