Start » Oefening » Kaal proza: hoe uitgebeender hoe beter

Kaal proza: hoe uitgebeender hoe beter

Hoe fraai de meanderende stijl van sommige schrijvers ook is, wij Nederlanders houden van kaal proza zonder te veel opsmuk. Hoe doe je dat? Een korte workshop in zes lessen.

Deel 1: Trek de handschoen aan

Elk land krijgt de literatuur die het verdient. En zelf maakt. Nederlands proza is rijkgeschakeerd en van alle markten voorzien, maar valt op door een ding: we schrijven het liefste zo kaal mogelijk. Zonder fratsen en frutsels. Dat willen de lezers. Vergelijk Nescio, Hermans, Krol en Grunberg met Boon, Claus, Gilliams en Lanoye: en je ziet dat in Vlaanderen het proza veel rijker, versierder en verfijnder is. Natuurlijk zijn er uitzonderingen als A.F.Th. en Thomas Rosenboom, maar de meeste Nederlandse lezers vinden nog altijd dat een bloemrijke stijl zoveel mogelijk vermeden moet worden. En daar moet je als schrijver hard voor werken. Zoals Godfried Bomans in ‘Schrijven is schrappen’ zei: ‘De reden dat ik niet rust voor ik de zin gevonden heb die mijn bedoeling zo nauwkeurig en zo bondig mogelijk weergeeft. De taal is een handschoen die strak om de huid van de inhoud getrokken is. Je moet er een heleboel weggooien voor die ene vindt die precies past.’

Oefening:

Hoe zou je je eigen stijl willen omschrijven? Pak een verhaal of een ander stuk proza dat je hebt geschreven en neem een alinea. Zou je dit op een andere manier hebben kunnen schrijven? Staat er veel overbodigs in?


Deel 2: Hakken en zagen

Schrijven is werk, zoals Bomans ook al aangaf. Volgens hem kun je het vergelijken met vakmanschap als beeldhouwen of timmeren. ‘Schrijven is wat er overblijft.’ Volgens hem is het een ‘drift voor de vorm’ die ons schrijvers maakt. ‘De inhoud is punt twee. Ziet u die man daar naar de bomen kijken? Het kan wel zijn dat hij nu door meer bezield is dan er ooit door Goethe is heengegaan. Maar Goethe schreef: “Uber alle Gipfeln ist Ruh”. En die man zegt dadelijk thuis: we krijgen regen.’
Niet meer schrijven, maar minder, dat is het geheim volgens Bomans. Van alle mogelijke zinnen en situaties die je kunt maken, is er maar een het beste. Die moet je zoeken. Door te beitelen, hakken en zagen, net zolang tot er niets meer over is dan die ene zin. En de spaanders.

Oefening:

Hieronder staat een zeer bloemrijke zin. Schaaf net zo lang tot er een gebeeldhouwde zin over blijft. Trek de handschoen zo strak mogelijk aan.

‘Op een bijzonder warme dag met her en der verspreide schapenwolken die zwierige spelletjes speelden in de lucht, kwam de lange, rijzige Schaver thuis en trof zijn ielige vrouw niet, zoals vrijwel altijd als hij ’s middags thuiskwam, in de zitkamer met het verschoten bloemetjesbehang aan.’


Deel 3: Dunne verhalen

Wat voor stijl geldt, geldt ook voor het verhaal zelf. Hoe dunner het verhaal, hoe sterker de tekst. Veel beginnende schrijvers stoppen hun verhalen en romans vol met gebeurtenissen, thema’s, ideeën en personages, in de hoop dat er een fraai gelaagd verhaal uitkomt. Niets is minder waar. Het beste proza is heel iel, bevat vaak maar een paar gebeurtenissen en schaarse personages. Lees De Avonden van Gerard Reve, en je ziet dat herhaling en langzame uitbreiding van een thema, met een hoofdpersoon, heel sterk kan werken.

Oefening:

Verzin een verhaal over een burgelijke man en een vrouw, met een nogal gemankeerd huwelijk. De vrouw is kinderloos en nogal wars van lichamelijke intimiteit. De man heeft zelf ook nauwelijks behoeften, maar raakt wel gefrustreerd. Probeer een situatie (1!) te verzinnen waarbij de man de vrouw uitdaagt.


Deel 4: Platte mensen

Ronde en platte personages zijn er, volgens de theorie van E.M. Forster. De eerstgenoemde zijn de hoofdfiguren, die hebben meerdere lagen, en een rijk innerlijk leven. Ze willen iets, maar kunnen dat niet krijgen. Dat laatste klopt, zegt Thomas Rosenboom, maar die meerlagigheid is een farce, en zet beginnende schrijvers vaak op het verkeerde been. Zelfs je hoofdpersoon mag zo plat als een dubbeltje zijn, zegt Rosenboom. Hij moet alleen een drijfveer hebben, en daarin gedwarsboomd worden. De rest is ter ondersteuning van dit karakter.

Oefening:

Ga terug naar je verhaal. Wat drijft de vrouw, wat drijft de man, en waarin worden ze gedwarsboomd? Wat is de sleutel? We weten: de vrouw wil niet aangeraakt worden, en de man is daardoor gefrustreerd. Hoe breng je die twee dingen bij elkaar. Scherp je verhaalidee nu zo aan dat de wensen en frustraties van de personages bij elkaar komen, en omdraaien.


Deel 5: Kleine scènes

Om een verhaal in werking te zetten heb je altijd enkele sleutelscènes nodig – gebeurtenissen waarin het verhaal onder druk worden gezet, maar die in een beperkte tijd en op plaats plaatsvinden (vaak met veel dialoog). Ook hier geldt: probeer dit tot een minimum te beperken. Als de lezer door heeft wat je wil suggereren, wat je wil overbrengen, is het genoeg. Bepaal altijd eerst wat de allerallerbelangrijkste gebeurtenissen zijn die in een scène kunnen worden samengevat. Vervolgens de scènes en vertellingen die deze allerallerbelangrijkste gebeurtenissen moeten ondersteunen. Zonder deze steunteksten zouden de sleutelscènes niet te begrijpen zijn. De rest mag je weggooien: die zijn voor je eigen research en begrip. De lezer heeft er niets aan.

Oefening:

Ga terug naar je verhaal over de vrouw die zo bang is voor knuffels en aanrakingen. Wat zijn hier de sleutelscènes? Waar komt alles op neer? Schrijf eerst de sleutelscènes uit. Bepaal vervolgens wat er nog ontbreekt om de sleutelscènes aan elkaar te breien. Doe dat ook het liefste in scènevorm (eenheid van tijd en plaats).
Schrijf je verhaal nu uit.


Deel 6: Schaven en bijvijlen

Als we de minimaalste scènes van de minimaalste verhaallijn hebben uitgeschreven, kunnen we ons concentreren op de tekst zelf. Hoeveel woorden hebben we nodig om duidelijk te maken wat de vrouw en de man drijft? Moet je hun buitenkant kennen? Moet je weten hoe ze wonen?
Alles is afhankelijk van je verhaalidee. Als je alleen het kale idee wil overbrengen, moet je alle onnodige details weghalen. Is het echt nodig om precies de inrichting van de kamer te vermelden? Alleen als daardoor een wezenlijk kenmerk van het karakter van je personage duidelijk wordt. Moeten we als lezer precies de tijd weten, de omgeving, de voorgeschiedenis?
Hetzelfde geldt voor de stijl. Schrap alle overbodige bijvoegelijke naamwoorden, kijk zeer kritisch naar bijzinnen en bepaal of je stijl niet afleidt van het doel: de lezer lanceren.

Oefening:

Hak, slijp en schaaf nu je uiteindelijke tekst. Probeer eerst een soort minimumversie te maken (sla je oude tekst op, geef de nieuwe een hoger versienummer). Lees deze goed en bepaal wat er tóch nog ontbreekt. Doe dit een paar keer – weghalen en dan weer erbij schrijven. Uiteindelijk heb je de perfecte kale versie – precies zoals wij Nederlandse lezers hem willen hebben.
Een voorbeeld van een kaal verhaal is Marga Minco’s ‘De man die zijn vrouw liet schrikken’, te lezen op: http://www.dbnl.org/tekst/minc001mene01_01/minc001....


Meer schrijfoefeningen...

Heb je een tip voor een onderwerp van een schrijfoefening? Stuur dan een mailtje hier.

Literair tijdschrift Alice, onderdeel van Schrijven Magazine

Stuur je allerbeste verhaal of gedicht in naar ons eigen literaire tijdschrift.

Meer informatie
Ook voor dichters: Schrijven Magazine

In ieder nummer van Schrijven Magazine interviewen we een dichter over het schrijfproces!

Word abonnee!
Moleskine cadeau? Neem nu een abonnement op Schrijven Magazine!

Gratis Moleskine opschrijfboekje bij een abonnement op Schrijven Magazine!

Bestel nu!

Meld je aan voor de Schrijven Nieuwsbrief.

Het is gratis!