Start » Oefening » Gebruik de ruimte om je verhaal voort te stuwen

Gebruik de ruimte om je verhaal voort te stuwen

Ruimte is meer dan decor, zegt Jan Brokken in 'De wil en de weg'. Maar hoe kun je die ruimte - de setting - gebruiken om je verhaal voort te stuwen? Zes oefeningen in ruimtegebruik, en het gebruik van het principe 'show, don't tell'.

Deel 1: Ruimte en personage horen bij elkaar

‘Setting noemen Engelsen de plek waar een boek zich afspeelt,’ schrijft Jan Brokken in De wil en de weg. Setting is meer dan een decor. Het is een sfeer, een hoedanigheid. De setting beïnvloedt de geaardheid van de hoofdpersoon. Bij het karakter Maigret zie je onmiddel-lijk een druilerige regen die de kinderhoofdjes van de Parijse boulevards doet glimmen. Je hoort zijn verkouden stem. Maigret is dikwijls grieperig. Om het euvel te bestrijden gaat hij een café binnen en bestelt aan de bar een grog. Het gaat niet zitten, hij doet zijn regenjas niet uit. Lurkend aan zijn pijp wacht hij tot de gloeiend hete grog voor hem wordt neergezet. Buiten raast het verkeer voorbij. Hij slaat de grog achterover en loopt met een lichte weerzin naar buiten. Die weerzin is belangrijk. Met merkbare tegenzin jaagt Maigret op misdadigers voor wie hij misschien geen sympathie heeft maar wel begrip. Hij moet mensen arresteren die klem zijn komen te zitten. Dezelfde ambivalentie komt tot uiting in zijn verhouding met de stad. Altijd regen, altijd lawaai, maar als hij voor een zaak naar de provincie moet, keert hij opgelucht terug naar Parijs. Want het is de stad die als de regenjas en de pruttelende stinkende pijp bij hem past. Setting en karakter vloeien in elkaar over. ‘

‘Wat voor thriller- en detectiveschrijvers geldt kunnen we gerust uitbreiden tot het domein van de gehele literatuur: een goede setting is onontbeerlijk voor een spannend of een aangrijpend boek. Natuurlijk had Madame Bovary in iedere stad en in ieder dorp kunnen spelen, maar de roman dankt zijn algemene zeggingskracht niet in de laatste plaats aan het feit dat op vrijwel iedere bladzij het Normandische platteland opdoemt. De specifieke kenmerken van de dorpen en de paden tussen de akkers geven de lezer de indruk dat het hier om een waargebeurde geschiedenis gaat. Flaubert begreep als geen ander dat een karakter pas werkelijk benen en voeten krijgt als het door een nauwkeurig beschreven landschap stiefelt. Voor onze eigen Eline Veere geldt hetzelfde: wie Eline Veere zegt, zegt Den Haag. Betekent dat nu dat een vrouw in Leeuwarden zich niet met Eline Veere kan vereenzelvigen? Integendeel, juist doordat ze over de Lange Voorhout snelt, ziet de vrouw uit Leeuwarden Eline scherp voor zich. ‘

Oefening:

  • Neem een van je recente verhalen of romanmanuscripten bij je.
  • Streep aan wanneer je een ruimtelijke setting beschrijft: een kamer, een straat, een kantoor, een interieur.
  • Hoe goed gebruik jij je ruimte?
  • Kan dit beter?


Deel 2: Walnoten en moerbeien

Hoe kun je de ruimte - en beschrijving in zijn algemeenheid - gebruiken om je verhaal voort te stuwen? Sommige schrijvers kunnen alleen al door de beschrijving van een persoon, een plek, een situatie een heel verhaal vertellen. Neem het begin van ‘De vliegeraar’ van Khaled Hosseini (zie http://www.debezigebij.nl/web/Leesclubtip-pagina/L...):

“Toen we klein waren, klommen Hassan en ik vaak in de populieren langs de oprijlaan van mijn vaders huis en pestten onze buren door met een scherf van een spiegel de zon in hun huis te laten reflecteren. We gingen met bungelende blote voeten tegenover elkaar op een paar hoge takken zitten, onze broekzakken vol gedroogde moerbeien en walnoten. Om beurten gebruikten we de spiegel, terwijl we moerbeien aten en elkaar daarmee giechelend en lachend bekogelden. Ik zie Hassan nog steeds hoog in die boom zitten, met zijn bijna volmaakt ronde gezicht, een gezicht van een uit hardhout gesneden Chinese pop, vlekkerig beschenen door het zonlicht dat door de bladeren viel: zijn platte, brede neus en scheefstaande smalle ogen als bamboebladeren, ogen die afhankelijk van het licht goud, groen en zelfs saffierblauw leken. Ik zie nog zijn kleine laagzittende oren en het puntige kinnetje, een vlezig aanhangsel dat eruitzag alsof het er op het laatste ogenblik nog snel even aan geplakt was. En de gespleten lip, net iets links van het midden, waar het instrument van de Chinese poppenmaker mogelijk was uitgeschoten, of misschien was hij gewoon moe en slordig geworden.”

Hier zien we meteen iemand voor ons: de jongen Hassan met zijn Chinese poppengezicht, de gespleten lip (die later in het boek een grote rol gaat spelen) en de platte, brede neus. Dat is hogeschoolschrijven, want voor je geestesoog wordt al in de eerste pagina van het boek iemand neergezet - “een uit hardhout gesneden Chinese pop’.

Tegelijkertijd wordt ook meteen het decor duidelijk gemaakt: een oprijlaan, de hoge takken van een populier waar de jongens in zitten, het huis van de buren waar pesterig met een scherf van een spiegel zon in wordt weerkaatst.

Jongens waren we, fijne jongens, lijkt de verteller te zeggen. Een beetje pesten, boompje klimmen, walnoten en moerbeien eten. Dit laatste brengt ons meteen al in andere sferen: Nederlandse kinderen hebben hun zakken niet volgestopt met walnoten en moerbeien. Sterker nog: sommige Nederlanders zullen hun leven lang nooit een moerbei in hun hand houden. Moerbeien groeien nu eenmaal niet vaak in de lage landen. In Afghanistan wel. En daar speelt het verhaal van Amir en Hassan, jeugdvrienden die uit elkaar zullen worden gedreven.

Oefening:

  • Ga terug naar je recente verhaal of manuscript.
  • Hoe lang duurt het voordat duidelijk wordt wáár je verhaal zich afspeelt?
  • Wat zegt jouw huidige beschrijving - niet alleen over de plek, de stad en het land waarin je verhaal speelt, maar ook over het personage en het verhaal?
  • Wat zou je kunnen doen om dit geheel te verbeteren?


Deel 3: Rijk en arm

Als je een verhaal in gedachten hebt, opzet en uitschrijft, heb je meestal een onderliggend thema dat je voor het voetlicht wil brengen. In hoeverre kun je dat thema versterken door de ruimte, de setting, dramatischer in te richten? Hoe extremer hoe beter. Iemand die last heeft van claustrofobie zal in een ruim huis of een plein niet zoveel problemen ondervinden, maar vastzitten in een lift (zoals Jeroen Brouwers beschreef in Zonsopgangen boven zee uit 1977, is een heel ander verhaal.

Ook in De vliegeraar worden Amir en Hassan gekarakteriseerd door de verschillen in hun ouderlijk interieur. Eerst krijgen we een uitgebreide beschrijving van Amirs huis, een sjieke villa: ‘De woonkamer beneden had een gebogen muur met speciaal daarvoor gebouwde kasten. In de kast stonden ingelijste familiefoto's: een oude, grofkorrelige foto van mijn grootvader en koning Nadir Shah uit 1931, twee jaar voordat de koning werd vermoord; ze staan bij een dood hert, met kniehoge laarzen aan en met geweren over hun schouder. Er was een foto van de bruiloft van mijn ouders: Baba elegant in zijn zwarte pak, mijn moeder een glimlachend prinsesje in het wit. En een van Baba en zijn beste vriend en zakelijk partner, Rahim Khan, die ernstig kijkend voor ons huis staan - ik ben op die foto nog een baby en Baba houdt me vast, moe en somber. Ik lig in zijn armen, maar mijn vingers omklemmen Rahim Khans pink.

De gebogen muur liep door naar de eetkamer met in het midden een mahoniehouten tafel, waar makkelijk dertig mensen aan konden zitten - en gezien mijn vaders voorliefde voor extravagante feesten kwam dat ook bijna elke week voor. Aan de andere zijde van de eetkamer was een grote marmeren haard, die in de winter altijd verlicht werd door de oranje gloed van een vuur.

Een grote glazen schuifdeur gaf toegang tot een halfrond terras dat uitkeek op een achtertuin van één hectare en rijen kersenbomen. Baba en Ali hadden langs de oostelijke muur een kleine groentetuin aangelegd met tomaten, munt, pepers en een rij maïs die nooit goed opkwam. Hassan en ik noemden het altijd de Muur der Noodlijdende Maïskolven.’

En dan, zonder overgang wordt in een zin het armzalige huisje van Hassan beschreven:

‘Aan de zuidkant van de tuin, in de schaduw van een pruimenboom, was het onderkomen van de bedienden, een bescheiden lemen hut waar Hassan met zijn vader woonde.’

Kijk altijd naar mogelijkheden om je setting, je ruimtes en je beschrijvingen zo neer te zetten, dat ze de contrasten tussen de hoofdpersonen benadrukken (zonder potsierlijk te worden). Wat gebeurt er als je je verhaalthema ook in je setting wil uitdrukken? Wat gebeurt er als je je ruimte vergroot, verkleint, verrijkt, verarmt, om je verhaalidee te versterken? Welke details heb je nodig om je thema te ondersteunen?

Oefening:

  • Stel voor dat je een verhaal gaat schrijven over een man die eenzaam is. Hoe ziet zijn woonkamer eruit? Welk voorwerp in de keuken of de badkamer drukt die eenzaamheid uit?
  • Beschrijf nu eerst de woonkamer, zonder het woord ‘eenzaam’ te gebruiken, zonder dialoog, en zonder veel actie.
  • Laat de man vervolgens naar het voorwerp in de keuken of de badkamer kijken. Beschrijf hoe hij ernaar kijkt. Beschrijf niet zijn gedachten
  • Maak nu een scène waarin de man na een lange dag werken, thuiskomt, zijn huis binnenkomt en iets met het voorwerp doet. Laat in een halve A4 het thema eenzaamheid tevoorschijn komen, puur door je beschrijving.


Deel 4: Vliegeren is oorlog

De term ‘thema’ werd hiervoor een paar keer gebruikt, maar verdient wel wat uitleg. Thema is voor een schrijver een heel ander begrip dan voor critici en leraren Nederlands. Een schrijver gaat niet een verhaal verzinnen om het thema ‘trots’, ‘gelijkheid’ of ‘waarheid’ neer te zetten. Een schrijver heeft heel andere, vaak kleinere thema’s, op het oog, en die kunnen van scène tot scène verschillen. De ene keer gaat het over ‘de kleine wereld van de grote man’, de andere keer over ‘hoe moeilijk het kan zijn om een afspraakje te regelen’. Elke scène levert een eigen uitdaging, uitgaande van dat ene thema. En de ruimte kan die uitdaging versterken en verhevigen.

Neem de betekenis van de papieren vliegers in ‘De vliegeraar’.

‘Baba en ik woonden in hetzelfde huis hetzelfde huis, maar verkeerden in andere sferen. Vliegers waren het enige flinterdunne reepje waar die twee sferen elkaar raakten.

Elke winter werd er tussen de verschillende wijken van Kabul een vliegertoernooi gehouden. En als je als jongen in Kabul woonde was de dag van het toernooi onomstotelijk het hoogtepunt van het koude seizoen. In de nacht voor het toernooi deed ik nooit een oog dicht. Ik lag te draaien en te tollen, maakte schaduwdieren op de muur en ging zelfs in het donker op het bordes zitten met een deken om me heen. Ik voelde me een soldaat die in de nacht voor een belangrijke slag in de loopgraven probeert te slapen. En zo heel erg anders was het ook niet. In Kabul waren de vliegergevechten eigenlijk een soort oorlog.

Net als bij andere oorlogen moest je je op een veldslag voorbereiden. Een tijdlang maakten Hassan en ik onze eigen vliegers. We spaarden ons wekelijkse zakgeld en stopten het in een porseleinen paardje dat Baba een keer uit Herat had meegenomen. Toen de winterse winden opstaken en de vele sneeuwvlokken omlaagkwamen, maakten we het slotje onder de buik van het paard los. We gingen naar de bazaar en kochten bamboe, lijm, touw en papier. We waren elke dag uren bezig om bamboe voor de staander en de spreider te maken, het dunne vloeipapier te knippen dat duiken en terughalen vergemakkelijkte. En dan moesten we natuurlijk nog ons eigen touw, of tar, maken. Als de vlieger het geweer was, was de tar, de met glas bedekte snijlijn, de kogel in de patroonkamer.’

Vliegers als wapens, en vliegertoernooien als voorbode van de oorlog. Vliegeren is oorlog: het thema van deze scène. En de oorlog levert vliegers op.

Oefening:

  • Bedenk bij elk van de navolgende thema’s welk voorwerp of ding je zou kunnen gebruiken om een gevoel of thema neer te zetten of te versterken:
  • verwarring
  • frustratie
  • hoop
  • oppervlakkigheid
  • vreugde
  • kwetsbaarheid
  • twijfel
  • angst
  • teleurstelling


Deel 5: Bliksem en sigaretten

Emotie drijft je personages voort. Een twijfelend karakter (Hamlet) doet andere dingen, ziet andere dingen dan een boos personage (Holden Caulfield, Frits van Egters). Om duidelijk te maken hoe je personage zich voelt, moet je uiteraard nooit direct beschrijven hoe hij of zij zich voelt. Show, don’t tell heet dit principe, en dit kun je toepassen door beschrijvingen te geven die de gemoedstoestand van de hoofdpersoon reflecteren. Vandaar ook dat in veel films een regenbui losbarst en de bliksem flitst als er zich een crisis aandient of de hoofdpersoon mentaal in zwaar weer komt. Een kotsende jonge vrouw? Zwanger! Een wekker in beeld: alarm, er staat iets te gebeuren! Een slechte man: piekerig donker haar, soms kaal, hij schiet zijn halfopgerookte sigaret met zijn vingers weg.(Zie http://www.ehow.com/how_2112056_film-total-cliche....). Terwijl het soms heel makkelijk is om een net iets ander beeld te verzinnen.

Oefening:

  • Probeer een andere oplossing te vinden voor de hiervoor genoemde clichés.
  • Hoe zou je een crisisgevoel kunnen uitdrukken in een beschrijving (natuur, terrein)?
  • Hoe weet je dat een vrouw zwanger is - zonder haar te laten kotsen?
  • Hoe kun je een alarmgevoel uitdrukken?
  • Hoe kun je een slechterik neerzetten, zonder clichés?


Deel 6: Gespleten wereld

Conflict is de motor van elk verhaal. Zonder conflict - voortkomend uit het karakter van de personages - komt het verhaal niet op gang, drijft niets het verhaal voort. Dat conflict kan ook heel goed worden veroorzaakt of worden versterkt door de ruimte. Wat als je iemand wil laten afrekenen met zijn jeugd? Zet hem in zijn oude school. Hoe kan dat? Door een reünie te laten organiseren. Of door een vijftigjarig huwelijk te laten vieren.

Dé crisis in 'De vliegeraar' is als hoofdpersoon Amir de zoon van zijn jeugdvriend Hassan, Sohrab wil redden uit de handen van de Taliban in Kabul. Hij overspeelt zijn hand, en wordt op gruwelijke wijze in elkaar geslagen door ene Assef, de grote Talibanchef.

“Mijn herinneringen aan het gevecht met Assef zijn voor een deel opmerkelijk helder: ik weet nog dat Assef de muziek harder zette voor hij zijn boksbeugel aandeed. Het gebedskleed met het uitgerekte, ingeweven Mekka kwam op een bepaald moment van de muur op mijn hoofd terecht; het stof dat eruit viel maakte me aan het niezen. Ik herinner me dat Assef druiven in mijn mond propte, zijn grijns een en al tanden, glimmend van het spuug, en met rollende bloeddoorlopen ogen. Zijn tulband viel op een zeker moment af en er ontsnapten krullen schouderlang blond haar.

En dan het einde, natuurlijk. Dat staat me nog volmaakt helder voor ogen. Dat zal zo blijven.”

Maar dan redt Sohrab hem door een koperen bal in een katapult in Assefs oog te schieten. Ze rennen weg en weten te vluchten. Amir komt bij in een ziekenhuis:

“Ik word wakker. De slungelige, donkere man staat weer aan mijn bed. Hij heet Farid, weet ik nu weer. En bij hem is het kind uit de auto. Zijn gezicht roept de herinnering aan het geluid van bellen op. Ik heb dorst.
Ik zak weg.
Ik kom omhoog en ik zak weg.

[...]

De man met de Clark Gable-snor bleek dokter Faruqi te heten. Het was helemaal geen soapster maar een hoofd- en nekchirurg, al kon ik het niet uit mijn hoofd zetten dat hij ene Armand was die op een zwoele soaplocatie op een tropisch eiland zat.

Waar ben ik, wilde ik vragen. Maar mijn mond ging niet open. Ik fronste mijn wenkbrauwen. Gromde. Armand glimlachte; zijn tanden waren oogverblindend wit.

'Nog niet, Amir,' zei hij, 'nog even geduld. Als de krammen eruit zijn.' Hij sprak Engels met een vet, rollend Urdu-accent.

Krammen?

[…]

'Je hebt ook verscheidene laceraties. Dat zijn snijwonden.'

Ik wilde zeggen dat ik wist wat het woord betekende; ik was schrijver. Ik wilde mijn mond opendoen. Ik was alweer die krammen vergeten.

'De ernstigste snijwond zat op je bovenlip,' zei Armand. 'De klap heeft je bovenlip in tweeën gespleten, helemaal van boven naar beneden. Maar maak je geen zorgen, de jongens van de plastische chirurgie hebben hem weer aan elkaar genaaid en ze denken dat het resultaat uitstekend zal zijn, al blijft er wel een litteken over. Dat is onvermijdelijk."

Nu heeft Amir ook een gespleten bovenlip. Cliché vinden sommige lezers, anderen vinden het prachtig. Misschien had Armand het gewoon niet hardop moeten zeggen, hadden wij het moeten concluderen.

Het steekt nauw, dat schrijven.

Oefening:

  • Ga terug naar een verhaal, novelle of roman waarin je gestopt bent, of een nieuw schrijfproject waar je nog niet zo lang geleden mee bent begonnen.
  • Kijk wederom naar je beschrijvingen. Zijn het clichés?
  • Waar kun je ze verbeteren?
  • Hoe zorg je ervoor dat de gevoelens van de hoofdpersoon in je beschrijvingen worden gelegd?
  • Herschrijf je verhaal, volgens deze principes.


Meer schrijfoefeningen...

Heb je een tip voor een onderwerp van een schrijfoefening? Stuur dan een mailtje hier.

Volg Schrijven Online op Twitter!

Volg Schrijven Online op Twitter!

Volg ons!

Meld je aan voor de Schrijven Nieuwsbrief.

Het is gratis!
Storytelling in 12 stappen

Essentieel voor (tekst)schrijvers!

Meer over dit boek
Lees Geschiedenis Magazine

Lees Geschiedenis Magazine. Profiteer van de prima aanbieding.

Korting én cadeaus!