[column] Ledencolumns, geplaatst in De Pers ALLEEN COLUMNS! GEEN LINKS!
- login of registreer om te reageren
[column] Ledencolumns, geplaatst in De Pers ALLEEN COLUMNS! GEEN LINKS!
Ik wilde hier de columns van leden neerzetten die geplaatst zijn in dagblad De Pers, maar zowel in de e-paper editie als in de pdf-editie kan ik geen tekst selecteren. Daarom hier het verzoek aan de mensen van wie een column geplaatst is, om die hier te plaatsen, inclusief verschijningsdatum. Dan kan dit topic bijgehouden worden, iedere keer als er een column van één van ons geplaatst wordt in De Pers kan hij hier ook geplaatst worden.
- Hier dus alleen columns plaatsen, geen reacties op de columns!
- Vergeet niet de datum te vermelden waarop de column in De Pers is verschenen
Ik plaats hier maar wel mijn geplaatste column:
Trenke 24-01-2008
Zwanger (titel was eigenlijk Zwangerschapsperikelen, kennelijk was dat te lang)
Omdat ik hoogzwanger ben en ernstige bandenpijn krijg bij lichamelijke inspanning, is mijn mobiliteit vergelijkbaar met die van een slak met een te zwaar huisje. Buitenshuis, waar ik nauwelijks ben, gebruik ik een scootmobiel. Afgelopen vrijdag zouden mijn man en ik uit eten gaan met buren. Wanneer ik bij de traptreden van de ingang van het restaurant kom, vermoed ik dat de buurvrouw, die meende dat het restaurant rolstoelvriendelijk zou zijn, zich vergist heeft. Nadat mijn scootmobiel de trap is opgetild en ook ik hem heb getrotseerd, blijkt de locatie een waar trappenfestijn. Vanaf de eetplek is het minimaal twee trapjes af naar de toiletten. Met een baby in mijn buik die vaak tegen mijn blaas aantrapt, moet ik regelmatig naar de wc. Daarom keren we via de snackbar terug naar huis.
Zondags gaan we met onze twee kleine kinderen naar een binnenspeeltuin. Ik maak een bestelbriefje: een broodje gezond, tosti, frikandel pindasaus, twee fristi en appelsap. Mijn man moet voor zichzelf nog wat invullen. Als even later op het dienblad van een medewerker een frikandel speciaal ligt, blaas ik hoog van de toren: ‘Ik houd niet van frikandel speciaal, dit kan mijn man nooit besteld hebben!’ De jongen murmelt iets over een briefje, dus weet ik zeker dat hij iets fout heeft gedaan. Even later komt hij terug, mét een frikandel pinda. Hij laat me nog wel het briefje zien, waarop duidelijk in mijn handschrift ‘frikandel speciaal’ staat...
Woensdags wil ik twee adressen toevoegen aan de kladmail, die klaarstaat om de geboorte van onze baby te verkondigen. Geslacht en naam van het kindje zijn alvast ingevuld, overige details zullen we toevoegen als de baby er is. Direct nadat ik het mailtje afsluit, hoor ik de pling van een binnenkomend bericht. In onze inbox verschijnt een mail met als onderwerp de naam van ons aanstaande kindje! In een flits besef ik dat ik op ‘send’ in plaats van op het kruisje geklikt heb...
Immobiel en behoorlijk zwangerschapsdement voel ik me soms best gehandicapt. Gelukkig is het een tijdelijke handicap, en krijg ik er iets moois voor terug!

- login of registreer om te reageren
Mama is een kannibaal
‘Hun zeggen dat ik niet mee mag doen!’ Charlotte van zes kijkt me boos aan.
‘Zij zeggen,’ verbeter ik. Ik kan het nu eenmaal niet laten.
‘Nee, mama,’ zegt ze, ‘niet zij, het zijn jongens.’
‘Je moet niet zeggen hun zeggen,’ zeg ik. ‘Je moet zeggen zij zeggen.’
‘Ik mag van zij niet meedoen,’ zegt ze, nu nog bozer.
‘Jongens,’ zeg ik, ‘Charlotte mag ook meespelen. We gaan niemand buitensluiten.’
‘Oh, maar we hebben de deur niet dichtgedaan, hoor,’ zegt Matthijs van acht. ‘Kijk zelf maar. Ze kan zo naar binnen en naar buiten lopen.’ Triomfantelijk kijkt hij me aan.
‘Luister,’ zeg ik, ‘laten we nu even rustig praten.’
‘Charlotte kan niet praten,’ zegt Jurriaan, de oudste van tien. ‘Ze kan alleen maar schreeuwen. Ik word er gek van.’
‘Zie je wel, je bent gek,’ zegt Charlotte. ‘Na na nanana. Jurriaan is gek.’
‘Wat je zegt ben je zelf,’ schreeuwt Jurriaan nu.
‘Mama,’ klaagt hij, ‘wij zijn hier leuk met Lego aan het spelen, en zij maakt alles stuk.’
‘Ik wil ook met Lego spelen,’ pruilt Charlotte.
‘Kijk eens wat je met deze raket hebt gedaan,’ zegt hij.
‘De vleugel is eraf,’ zucht ik.
‘Precies, hij kan niet meer vliegen. En dat noemt zij spelen.’
‘Ik deed het niet expres,’ zegt Charlotte, ‘echt niet.’
‘Wel waar,’ zegt hij. ‘Je ging er boven op staan.’
‘Ik was bang dat hij weg zou vliegen,’ zegt ze. ‘Dan zouden we hem kwijt zijn.’
‘Onzin,’ zegt Matthijs. ‘Ik had hem stevig vast.’ Charlotte en Jurriaan beginnen te lachen.
‘Hun lachen me uit,’ zegt Matthijs.
‘Zij lachen je uit, ‘ verbeter ik.
‘Nee, hoor, niet alleen Charlotte lacht, ook Jurriaan,’ zegt hij.
‘Wie wil er een ijsje,’ vraag ik maar. Even later likken ze alledrie aan hun ijsje.
‘De mijne is vanille,’ zegt Charlotte tegen Matthijs. ‘En de joune?’
‘Die van jou,’ verbeter ik. Ik kan het nu eenmaal niet laten.
‘Dat zei ik toch, vanille,’ zegt Charlotte.
‘Ik kan jullie wel opeten,’ zeg ik. Jurriaan stopt met likken en kijkt me aan.
‘Wegwezen,’ roept hij. ‘Mama is een kannibaal.’
Geplaatst donderdag 20 september 2007

- login of registreer om te reageren
Zoefzoef
Ik pas met twee vriendinnen op een boerderijtje in Frankrijk. Het weer is zonnig, ons humeur prima, het oppassen makkelijk.
Tot op een ochtend Floortje, een van de geiten, hartverscheurend, doelloos staat te gillen. Ze komt niet eten als ik haar roep. Ze kijkt me aan of ze echt niet snapt wat ik bedoel met die bak met brokken. Haar tong hangt buiten haar mond en tot onze grote schrik ontdekken we daar blauwe vlekken op. We zijn meteen in rep en roer: blauwtongvirus! Ik zie in gedachten dit geitje en haar zus en broers afgevoerd worden, terwijl de eigenaars nietsvermoedend, onbereikbaar, in hun camper door de Alpen toeren. Ik raak er zowaar van in paniek. Hebben wij het virus meegebracht uit Nederland? Oh, dit is echt een ramp! De dierenarts moet gebeld worden! En snel!
In haar beste Frans, aangevuld met wat Engels, legt mijn vriendin uit wat er aan de hand is. De dierenarts belooft te komen, vanmiddag na vijf uur.
Om zeven uur, het is bijna donker, arriveert hij.
Hij pakt de geit bij de hoorns en knielt voor haar neer.
‘Bweeeeeh,’ zegt hij.
‘Bweeeeeh,’ antwoordt Floortje.
‘Bweeeeeh,’ zegt de dierenarts weer.
‘Bweeeeeh,’ jammert Floortje. De arts bestudeert haar keel en tong tijdens het gezamenlijke mekkeren. Wij bestuderen hem.
‘Oké,’ zegt de veeltalige arts. Hij zoekt naar woorden, probeert het eerst in het Frans. Wij kijken hem wazig aan. Hij zoekt naar Engelse en Vlaamse woorden.
‘Niet infection,’ zegt hij. ‘Tong goed, not blauw. Brains. No good in the brains.’
Wij kijken hem belangstellend aan of er nog meer uitleg volgt. Hij denkt na. Dan weet hij het ineens. Hij maakt een draaiende beweging met zijn vuist voor zijn voorhoofd.
‘She is zoefzoef in de hoofd. Old en zoefzoef.’
Aha, zoefzoef in het hoofd, dat begrijpen we! Oude Floortje is aan het dementeren! Dat we daar niet eerder aan gedacht hebben.
15 november 2007

- login of registreer om te reageren
SCHRIJVER
Ik ben uitgenodigd op een basisschool om uitleg te geven over het werk van een schrijfster. Groep 5. Eerst mogen de kinderen prangende vragen stellen. Ik worstel me erdoorheen.
‘Hoe heten je honden? Wat is je lievelingskleur? Wat is je lievelingsboek? Wat eet je het liefst? Hoe verzin je een verhaal?’
Achter in de klas zit al een tijd een ventje met zijn vinger in de lucht. Hij wiebelt ongeduldig op zijn stoel heen en weer.
Eindelijk is hij aan de beurt: ‘Kun je ook schrijver worden zonder printer?’
Over deze vraag denk ik even na. Het kan, besluit ik. Ik stuur mijn bestanden altijd digitaal naar de uitgever, het redactiewerk doe ik meteen op de computer, het zou zonder printer kunnen. Hij wordt blij van dit antwoord.
Ik leg uit aan de kinderen hoe een boek wordt gemaakt. Van de schrijver, via de redacteur, de illustrator, de vormgever, naar de drukker. Het ventje hangt aan mijn lippen. Vooral als hij hoort dat ik de boeken niet een voor een uit mijn eigen printertje pers. Dat iemand dat voor mij doet in de drukkerij, dat vindt hij helemaal super.
Na afloop van de les vraagt de juf of iemand nog een reactie wil geven op alles wat er verteld is. Het ventje achterin steekt opnieuw zijn vinger op.
‘Ik ga later schrijver worden, juf.’
Toe maar! Geen brandweerman of piloot, maar schrijver!
‘Wist je dat al langer, of kwam je door mijn verhaal op dat idee?’ vraag ik.
‘Ik wist het al héél lang hoor, maar ik dacht dat het niet kon als je geen printer krijgt van je mama.’
Acht jaar pas, net twee jaar schrijfonderwijs gehad en hij weet het met stelligheid te brengen. Ik ga hem in de gaten houden, dit zou weleens de juiste instelling kunnen zijn voor een toekomstige winnaar van de AKO Literatuurprijs.
Ga ervoor kerel!
geplaatst 10 januari 2008

- login of registreer om te reageren
OVER
‘Wat jammer dat uw dochter zoveel pijn heeft,’ fluistert ze. De breekbare vrouw in muizige kleding schuift haar stoel dichterbij. Ze wijst naar het bed dat mijn vriendin - drie jaar jonger dan ik – even daarvoor kreunend verlaten heeft.
‘Het is mijn dochter niet, het is een vriendin,’ antwoord ik.
‘O, ik hoopte dat u haar moeder was, dan was ze niet zo alleen. Ik ben ook heel alleen, ik heb alleen mijn zus nog maar.’
‘Dat is niet fijn,’ leef ik mee. ‘Maar u heeft waarschijnlijk geen pijn meer? U kunt alweer uit bed, zie ik, en u bent zelfs aangekleed.’
‘Ja,’ zegt ze, ‘ik ben hier al vier maanden.’
‘Wéken!’ hoor ik vanuit een bed achter mij roepen, ‘U bent hier nu vier wéken!’
‘O? Vier weken?’
‘Dat lijkt me waarschijnlijker,’ zeg ik.
‘Ik heb een nieuwe knie. De dokter zei tegen mijn zus dat hij nog nooit zo’n mooie knie had gezien, zoals die van mij. Mij kan het niet schelen hoe hij was, maar voor de dokter is het toch heel fijn als het een mooie knie is.’
‘Waarschijnlijk wel,’ gok ik.
‘Nu zit ik hier maar, al vier maanden.’
‘Wéken!’ De overbuurvrouw begint geïrriteerd te raken.
‘Ik moet naar … kom hoe heet dat nou … bij ons in het dorp. Ik weet het niet meer.’
‘Geeft niet.’ Ik glimlach naar haar als troost.
‘Ze zeggen dat ik niet meer naar huis kan.’
‘Ik denk dat dat wel klopt.’
‘Vindt u dat ook? Dan zal het wel kloppen…’ Ze staart voor zich uit, ze denkt na.
‘Ik sta wel ingeschreven, denk ik, maar er is geen plaats. Daarom zit ik hier steeds.’
‘Dat is vaak het probleem,’ beaam ik. ‘U moet op een wachtlijst tot er een plaats vrijkomt.’
‘Ik ben eigenlijk …’ Ze denkt weer na, kan het woord niet vinden. Met zware rimpels boven haar ogen kijkt ze me aan.
‘Ik ben eigenlijk óver. Ja, dat is het, ik ben gewoon óver.’
Geplaatst 25 januari 2008.
(De eerste moet ik nog even zoeken in mijn archieven)

- login of registreer om te reageren
Meevaller
De laatste tijd zat het niet erg mee. Financieel bedoel ik. Misschien ken je dat wel, geld zat toch altijd blut. Alleen werd dat blut de laatste tijd nogal problematisch. De ene uitgave volgde de ander op en ze waren allemaal onvermijdelijk. Tandarts, hypotheek, geen zin om te koken dus buiten de deur en de verwarmingsketel kapot. Het hield maar niet op. Laatst moest ik tanken en wat denk je, te weinig krediet. Maar goed. Van het een kwam het ander, ik ging mijn leven beteren.
Zuinig aan, af en toe kliekjesdag en op de fiets naar het werk want alle kleine beetjes helpen.
Door dat fietsen kreeg ik de rust om over onze geldstromen na te denken. Een heel nieuw leven in een lage-kosten-land leek mij net zo onhaalbaar als verdergaande bezuinigingen, ik ben gesteld op de geneugten des levens waar we zo hard voor werken. Ook de kansen op het winnen van de jackpot in de komende staatsloterij achtte ik te klein om op te kunnen bouwen. Nee, deze hele situatie vroeg om een rigoureuze aanpak. Ingenieuze fraude of, simpeler maar bruter, een gewapende overval op een filiaal van een multinational passeerden de revue maar passen niet bij mijn persoon. Het verschil tussen het mijn en het dijn is me met de paplepel ingegeven.
Al mijmerend zag ik hem liggen, zo’n tien meter verderop, een portemonnee. Midden op het fietspad, zo’n héle dikke portefeuille, verloren door iemand die het liefst contant betaald. Iemand met geld zat, dat leek me duidelijk. Plotseling kwam er een kant van me boven die ik nog niet kende. Op een ruimhartig vindersloon durfde ik niet te rekenen, ik stapte van mijn fiets en keek om me heen. Niemand te zien...
Je hebt het vroeger zelf ook gedaan. De afgedankte portemonnee van je vader, goedgevuld met de krant van gisteren en een zorgvuldig gekozen plek. Ze trapten er bijna altijd in. Een korte ruk aan het touwtje, de complete verrassing. Onbetaalbaar, die beteuterde blik in de ogen.
Geplaatst 11 februari 2008

- login of registreer om te reageren
WELK MERK MOET JE?
(Ik heb de titel later omgedoopt in Top Comfort)
Keurig in het pak, zijn aktetas in de winkelwagen, staat hij zich heel ongemakkelijk te voelen tussen de schappen in de super. Hij pakt zijn mobiel en drukt een toets, zijn blik strak gericht op de gezichtscrèmes en de shampoo.
‘Nee, schatje, ik moet mama zelf hebben, roep haar nou maar.’
……………
‘Dan vraag je of ze er even vanaf komt.’
……………
‘Breng de telefoon dan even naar haar toe. Ja, dat kan wel! Dan bons je maar even op de deur.’
Hij staart nog eens op zijn briefje. Herschikt de bloemkool, de wortels en de appels in zijn karretje. Zijn rechtervoet tikt ongeduldig op de vloer.
‘Hè, hè, eindelijk. Welk merk moet je?’
……………
‘Zet er dan bij welke! Hoe kan ik dat nou weten?’
……………
‘Nee, natuurlijk zie ik niet wat jij allemaal voor vrouwendingen op de wastafel hebt staan. Als ik dat allemaal bij moet houden.’
……………
‘Ja, natuurlijk neem ik een pakje mee, maar ze hebben wel twintig merken. En verschillende maten of zo.’
Hij kijkt schichtig over zijn schouder naar het schap achter zich.
‘Met wat? Wat is dat dan?’
……………
‘Ja, ik zie het. Top comfort, ja. Staat erop. Zestien of tweeëndertig?’
……………
Hij pakt een familieverpakking uit het schap. Kijkt op het prijskaartje dat eronder hangt.
‘Weet je wel wat die kosten, schat?’
……………
‘Nee, nee, dat kan me niet schelen. Natuurlijk niet als je deze wilt, maar ze hebben ook een huismerk. Je neemt toch altijd huismerk. Dat dacht ik tenminste. Of niet?’
……………
‘Nee, nee, ik vind het echt geen punt. Dat is niet waarom ik het zeg. Neehee! Oké, tot zo.’
Hij kijkt nog eens op het pakje, kijkt om zich heen of niemand hem bespiedt. Dan legt hij het pakje tampons in zijn karretje en legt er snel een zak wortels op.
Opgelucht gaat hij richting kassa. Daar frommelt hij het pakje tussen twee broden op de band. Het kassameisje lacht hem bemoedigend toe.
Geplaatst 2 maart 2007

- login of registreer om te reageren
PAPEGAAI
...
‘Varken.’
‘En wat doet een varken?’
‘Knor, knor.’
‘Olifant.’
‘En wat doet een olifant?’
‘Woea.’
Twee jaar is mijn zoon, en het is een genie. Hij kent alle dieren, bijna, en alle bijhorende dierengeluiden. En niet alleen de makkelijke, zoals de kip en het konijn, maar ook de hele moeilijke, zoals de dromedaris en het nijlpaard. Het geluid van de kameleon kan hij nog niet imiteren, maar dat is niet zijn schuld, al sla je me dood, ik weet niet wat een kameleon doet.
‘Paard.’
‘En wat doet een paard?’
‘Hihihihi.’
‘Leeuw.’
‘En wat doet een leeuw?’
‘Groah.’
Hij had zo kunnen meedoen aan Wedden Dat, ware het niet dat Jos Brink een blokje om is.
‘Heel hoet,’ zeg ik, ‘heel hoet.’
Ik kom uit West-Vlaanderen, en de letter ‘g’ die bestaat bij ons niet. Geit is heit en goud is hout. Vroeger werd de West-Vlaming in België nog wel eens scheef bekeken. Hij stond bekend als nog dommer dan de gemiddelde domme Belgenmop. Maar sinds kort is het West-Vlaams hip, dankzij acteurs als Wim Opbrouck en popgroepjes zoals ’t Hof van Commerce. Sterker nog, er is zelfs een West-Vlaamse versie van ons aller geliefde zoekpagina Google, in
West-Vlaanderen beter bekend als Hoehel.
Ik wijs mijn zoon op een nieuwe tekening,
‘papegaai, Lennertje, papegaai’.
Hij kijkt me stomverbaasd aan.
‘Een vogel, Lennert, een papegaai.’
Heel langzaam schudt hij van nee. Hij stapt naar zijn computer, zet die aan en roept ‘Nemo, Nemo.’ Ik moet toch aan het eten beginnen, dus zuchtend steek ik maar weer een dvd’tje op. Ik blijf nog even kijken en al in de eerste scène wordt de mama van Nemo verslonden door een agressieve visstickvreter.’ Een brede glimlach verschijnt op mijn zoon zijn gezicht. ‘Papa haai,' roept hij opgetogen, ‘papa haai.’

- login of registreer om te reageren
Conducteur Jan
Ik sta op het station te wachten op de trein. Het perron staat aardig vol. Zoals ik gemiddeld één keer per maand doe, ben ik op weg naar mijn moeder, die aan de andere kant van het land woont. Ik zie de trein aankomen in de verte. Terwijl de trein tot stilstand komt en er hele hordes mensen uit komen, rook ik mijn sigaretje nog even op. Even later stap ik in de trein.
Binnengekomen zoek ik een plaatsje in deze drukke trein en ik nestel me tegenover een oma met haar kleindochter van een jaar of twee. Naast mij zit de moeder van het meisje. Het meisje heeft een pop, waar ze mee zit te spelen. Geen gejengel of geschreeuw deze keer, zoals je erg vaak meemaakt, maar gewoon een meisje die rustig met haar pop speelt. Ik kijk afwisselend naar het meisje en naar buiten. De bomen, stations en wegen flitsen aan me voorbij.
Dan hoor ik de welbekende woorden “Goedemiddag, uw kaartje alstublieft” achter me. Mijn hand gaat al automatisch naar mijn tas, waar mijn OV-kaart in zit. Ik kijk achter me of hij al bij onze plek is.
De conducteur is een man van een jaar of veertig. Hij ziet er vriendelijk uit. Hij ziet het kleine meisje met haar pop en vraagt haar hoe de pop heet.
“Hij heet Jan” zegt het meisje. De man lacht.
“Ik heet ook Jan” zegt de conducteur. Het meisje glimlacht naar de man en houdt haar pop stevig vast. Na het controleren van de kaartjes loopt conducteur Jan verder.
Even later komen we aan bij station Amsterdam Centraal.
“Goedemiddag, dames en heren, jongens en meisjes en pop Jan” klinkt er door de luidsprekers… Heerlijk zo’n vrolijke conducteur, die plezier heeft in zijn werk! Daar moeten we er meer van hebben!

- login of registreer om te reageren
Weekend
Fiets je op een mooie zaterdagochtend op je dooie gemak door de stad, word je plotseling opgeschrikt door de luide claxon van een tegemoetkomende auto. Licht geïrriteerd kijk je op. Moet er een gevaarlijk slingerende jeugdige fietser gewaarschuwd worden? Loopt er een eendenfamilie over de weg? Steekt een oud vrouwtje plotseling over?
Niets van dat alles. De bestuurder van de auto steekt als begroeting joviaal zijn hand naar je op. In een reflex groet je terug. Als de auto je gepasseerd is, realiseer je je al snel dat je niet direct herkenning had. Wie was die man achter het stuur? Je draait je om en probeert alsnog een glimp van hem op te vangen. Helaas, je moet genoegen nemen met de achterkant van de auto en teleurgesteld staar je de steeds kleiner wordende wagen met de jou begroetende kennis na. Het hele weekend houdt de onbekende je nog bezig. Was het Henk? Nee, die woont aan de andere kant van het land. Karel misschien? Die rijdt niet in zo’n grote wagen. Zou het Jaco geweest zijn of is die al op vakantie? Het dreigt een heuse obsessie te worden.
Grote kans dat de begroetende bestuurder mijn man was. Hij schept er groot genoegen in om willekeurige slachtoffers een piekerweekend of – beter gezegd - zichzelf een geslaagd weekend te bezorgen. Bijna elke zaterdag is het raak. Als bijrijder kijk ik er niet meer van op. Als ik zijn hand ook maar richting claxon zie bewegen, weet ik wat komen gaat: claxonneren, uitbundig zwaaien, in de binnenspiegel kijken of het slachtoffer omkijkt, om dan lachend uit te kraaien: ‘Yeah, het is weer gelukt!’ Na die uitspraak neuriet hij vrolijk met de autoradio mee: zijn weekend kan niet meer stuk en daarmee ook het mijne niet.
En u? Niet nadenken en gewoon terugzwaaien.
Geplaatst op 8 mei 2007

- login of registreer om te reageren
Verrassing
Mijn man heeft de eigenaardigheid om altijd exact te raden wat voor cadeau ik voor hem gekocht heb. Herken ik vanwege het vertrouwde formaat alleen de jaarlijkse chocoladeletter die mijn moeder in de pakjesmand gestopt heeft, mijn man weet vooraf feilloos op te sommen wat er achter elk cadeaupapiertje schuil gaat.
Vorig jaar had ik via een ontbijtservice geregeld dat er een romantisch ontbijt bezorgd zou worden. Toen wij in bed lagen te ontwaken en er beneden om vijf voor zeven een portier dichtklapte, zei mijn man: ‘Wat lief, een ontbijtje op bed.’
Hij is niet de enige man met die onhebbelijkheid. Collega Nicole belde me gisteren enthousiast op dat ze eindelijk een verjaardagscadeau voor haar vriend wist: een parachutesprong.
‘Vindt hij dat leuk, denk je?’
‘Oh ja, twee maanden geleden hoorde ik hem tegen een avontuurlijk aangelegde collega zeggen dat hij zo graag eens zo’n sprong zou willen maken.’
‘Probeer het geheim te houden.’
‘Dit raadt hij nooit!’
Tien minuten later belde Nicole me terug. Ze had net haar vriend gesproken. Hij was benieuwd naar haar cadeau voor hem.
‘Heb je al iets gekocht?’
‘Ja, maar ik zeg niets.’
‘Echt niet?’
‘Nee, maar als je lief bent, geef ik je af en toe een kleine hint.’
‘Ik ben altijd lief, Nicole, dus geef de eerste hint maar.’
Ze zwichtte.
‘Hier komt de eerste aanwijzing. Je hebt ooit gezegd – ik zeg niet of het kort of lang geleden is – dat je dit graag wil hebben.’
‘Nou, dat is een aanwijzing van niks,’ vond ik.
‘Weet je wat hij zei?’ vroeg Nicole.
‘Nou?’
‘Een parachutesprong?’
‘Nou ja, zeg. Zo is er geen lol aan! Ik geef je één tip. Annuleer die parachutesprong en geef hem niets.’
‘Niets?’
‘Ja, dat is pas een verrassing. Dat raadt hij echt nooit!’
Geplaatst op 17 september 2007

- login of registreer om te reageren
DOOIE VISJES
Iedereen heeft wel eens zo’n moment dat hij zich de diepere betekenis realiseert van dingen die zo vanzelfsprekend lijken , dat het nooit eerder was opgevallen. Ik had het een tijdje terug, toen ik een salade aan het bereiden was. Naar oud en gewaardeerd gebruik maakte ik deze met een mediterrane touch.
Ik spoel de ansjovis voor gebruik altijd even af. Anders blijven die krengen zo zout dat je de rest van de avond aan de kraan hangt. Ik vulde een kommetje met water, opende het blikje en legde ze er een voor een in. Een beetje treurig dreven de kop- en staartloze visjes in het water rond. En toen gebeurde het. De bliksem die insloeg. Het plotselinge besef. Ansjovisjes, dat zijn dode visjes. Vieze, dode visjes. Natuurlijk probeerde ik die gedachte te verdringen; ik was tenslotte met het eten bezig.
Maar toen ik ze uit het kommetje pakte, voelde ik de koude, glibberige lijfjes in mijn vingers. Ik kokhalsde. Ik stond op het punt om dode beesten in mijn sla te gooien! Sterker nog: ik at al jarenlang sla met dode beesten erin.
En sla, dat is ook maar een stervende plant. Ik dacht aan de ficus in de woonkamer. En wat zijn olijven eigenlijk? En gedroogde – gemummificeerde – tomaten? Pijnboompitten? Een schaal vol dode beesten, kwijnende planten en stukken boom, en dat noemde ik een delicatesse? Hoe haalde ik het in mijn hoofd mijn gasten zoiets walgelijks voor te zetten?
Die honing-mosterd dressing heb ik maar niet meer gemaakt, toen ik me eenmaal realiseerde dat mosterd geplet vogelzaad is en honing niets anders dan bijenkots.
Een glas melk dan maar om de mond te spoelen. Minstens vijf procent etter, dat moest me natuurlijk precies op dat moment te binnen schieten.
Met het zuur achterin mijn keel bekeek ik de inhoud van mijn koelkast. Delen van planten, bloemen, takken, dierlijke vloeistoffen en stukken dood beest staarden mij aan. Ik kreeg de neiging alles met een grote armzwaai in de vuilnisbak te smijten, toen ik me plotseling realiseerde dat ik dit elke dag eet. Al mijn hele leven.
Geplaatst op 13 december 2007

- login of registreer om te reageren
Chicklit
Jaren terug volgde ik een opleiding met vrijwel alleen vrouwen. In de pauzes gingen de gesprekken steevast over calorieën, dikke billen, en blubberbuiken.
Op een dag was ik het zat: ‘Dames, we hoeven niet over de wereldpolitiek te discussiëren,’ riep ik door de kantine, ‘maar mag het eens ergens anders over gaan dan diëten of de grootte van ons achterwerk?’
De buffetjuffrouw liet van schrik een vette gehaktbal vallen, die over de grond rolde en tegen de poot van ons tafeltje tot stilstand kwam. Ik werd aangekeken alsof ik pornografische taal uitsloeg.
Met de woorden: ‘Maar jij bent ook niet te dik,’ werd mij de mond gesnoerd.
‘Jullie ook niet,’ protesteerde ik, maar er werd niet naar mij geluisterd.
Het gesprek ging vrolijk verder: ‘Zal ik nog een broodje kaas nemen? Maar kaas heeft een vetpercentage van zestig procent. Misschien neem ik toch een bakje rechtsgedraaide biogarde voor een optimale darmflora.’
Een jaar later kreeg ik de chicklitroman Het dagboek van Bridget Jones cadeau. Ik had wel eens van de term chicklit gehoord en dacht dat het sloeg op de vrouwen die deze boeken schrijven. Maar dan zou litchick een betere benaming zijn. Bij een litchick stelde ik mij een veelbelovende jonge schrijfster voor, met te veel make-up en strompelhakken.
Terug naar Bridget Jones. Het verhaal gaat ongeveer zo:
Ik drink teveel. Mijn kont is te dik. Wat voor onderbroek trek ik aan? Wil die man mij wel en wil ik hem? Hij wil mij toch niet, want mijn kont is te dik.
‘Mens ga je lekker bezatten met of zonder string om je te dikke gat, maar val mij er niet mee lastig!’ riep ik tegen Bridget. ‘Stel je niet zo afhankelijk op, alsof je slechts gelukkig kan zijn met de juiste vent aan je zij, die dagelijks kwijlend van bewondering je bescheiden bipsje aanschouwt. Word wakker in de eenentwintigste eeuw, je gedraagt je als een tragische heldin uit een negentiende-eeuwse roman.’
Nee, besloot ik, chicklit is niet voor mij weggelegd. Laat mij maar lekker zwijmelen bij een heerlijke klassieker zoals Madame Bovary, Anna Karenina of Jane Eyre.
Geplaatst op 7 februari 2008

- login of registreer om te reageren
OVER-GEWICHT
Terwijl het display van onze nieuwe weegschaal mijn leeftijd laat zien, het daarbij behorende BMI, en nog meer digitale betweterij, stap ik met veel tegenzin op het glazen plateau. Ik móet afvallen. Voor mijn gezondheid. En niet omdat ik zo enorm zwaar ben, maar omdat ik het gezeur van mijn vrouw niet meer aan kan. Ze kletst de oren van mijn hoofd, en zou ik niet ten onder gaan aan zwaarlijvigheid, dan was het wel door een zware inzinking als gevolg van een overdosis gezondheidskolder.
“Voeten recht, en wachten op het piepje!” klinkt vanachter de gesloten slaapkamerdeur.
Met veel ongenoegen probeer ik de boodschap op het kleine venster van de weegschaal te ontcijferen.
“En?” klinkt het ongeduldig.
Ik zwijg, en kijk voor me uit.
Zo in de spiegel ziet het er best aardig uit. Oké, de potige schouders van vroeger, zijn wat afgelaten, maar het welgevormde sixpack zit er nog steeds. Al zijn het nu geen spieren die het strakke patroon vormen, maar zes vetrolletjes die zich rond mijn navel hebben opgehoopt. En zo van voren gezien, vallen mijn borsten best wel mee...
“Schat, ben je er nog?” klinkt het plagerig, “Zo erg kan het toch niet zijn!”
Mijn vrouw doet aan de lijn. En ik dus ook. ‘Uit solidariteit.’ roep ik gedreven, als mijn collega’s met opgetrokken neus naar de boterhammen met uitpuilende slablaadjes kijken. Maar het is meer uit zelfbescherming, want als ik niet probeer te wennen aan de rauwkostmaaltijden van Bakker, of de in olijfolie gebakken vegaburgers van Montignac, krijg ik helemaal niets meer binnen en zal ik uitgemergeld ten onder gaan.
“Pond eraf!” jok ik.
“Goed bezig!” klinkt het opgelucht vanaf de overloop.
Meewarig kijk ik naar mezelf in de spiegel, span mijn spieren nog eens aan, en maak bewegingen die een bodybuilder niet zouden misstaan.
“Ja, hoor,” mompel ik haar na, “We zijn érg goed bezig...”
{De Pers, 02-11-2007}

- login of registreer om te reageren
Monster
Ik ga weer een stap zetten in de strijd tegen mijn OV-fobie. Goed voorbereid, want
ik heb mijn ‘RET’ weer eens doorgenomen:
Rationeel Emotieve Therapie; ik ga dus straks met mezelf in discussie, of de gedachten die mij angstig maken, een reëel beeld vormen van de werkelijkheid.
Genoeg geld voor een eventueel taxiretourtje Den Haag – Utrecht en mijn mobieltje op zak.
Straks stap ik in zo’n monster, waar ik niet meer uit kan als hij rijdt, tenminste, dat zou niet handig zijn.
Ik kijk naar het scherm van de kaartautomaat. Thuis heb ik geoefend op de NS site, nu begrijp ik niet wat er staat.
‘Neem de tijd, geeft niets dat je drie treinen hebt gemist, kijk rustig’… gelukt!
Vastgeplakt aan het rode nepleer, open ik af en toe mijn ogen.
‘Iedereen ziet het, ze kijken naar me’
‘En wat als ze naar je kijken?’
De kaartjescontroleur. Ongecontroleerd zoek ik in zak en tas. ‘Daar komt ie alweer’ …gevonden!
“Deze trein gaat naar Leeuwarden”, wordt er omgeroepen.
“Nee, ik moet naar Utrecht!”, gil ik.
“Hij stopt ook in Utrecht”, zegt een medereiziger van een jaar of zeven.
Ik sta op het perron, het is druk. Geluiden dringen zich op.
Dan schakelen mijn hersens de herrie uit. Ik zie monden bewegen, maar hoor niets zeggen. Ik sta als aan de grond genageld; geen secondelijm kan met deze kracht concurreren.
Iedereen kijkt …‘Nou en?... Logisch als je in een rode poepzak staat te ademen.
Adem in, adem uit. Het gaat altijd weer over’
Na een flinke dosis nicotine en cafeïne, aanvaard ik de terugreis. Met behulp van een spiekbriefje beland ik in de juiste trein.
Ik stap uit in Den Haag. Toch?
Ja, klopt; ik zie mijn dochter uit de trein stappen, zogenaamd niet mee gereisd en in de consternatie helemaal vergeten!
Geen succes dit NS reisje. Nog te hoog gegrepen vinden we allebei.
“De volgende keer proberen we het in Rotterdam met iets dat op een trein lijkt” stelt mijn dochter voor.
Ik kijk haar verbaasd aan.
“Daar heet het openbaar vervoer RET ”, zegt ze met een knipoog.
19 juli 2007

- login of registreer om te reageren
Nederlander
Ik ben een Zeeuw op Friese doorlopers, stug en zuinig tegelijk.
Een bourgondische Jordanees op de uitgestrekte Veluwe.
Ik ben hartstochtelijk socialist met een godsdienstige inslag en ga naar de kerk, de moskee, de tempel of niet.
Soms ben ik een moeder en vader tegelijk voor schatjes van kinderen die ik af en toe het liefst achter het behang zou willen plakken. Ik ben vaak zelf nog maar een kind dat haar grenzen opzoekt in de prachtige wereld rondom.
Mijn school is wit of zwart of regenboog.
Regelmatig kan ik zelfverzekerd en assertief uit de hoek komen, maar soms blijf ik het liefst verlegen in het hoekje zitten.
Ik fiets vrolijk klagend door weer en tegenwind.
Luidkeels zing ik mee met Hazes, met een Rotterdams accent.
Mijn haren zijn dan weer blond en dan weer rood of zwart en ik bedek ze weleens met een hoofddoek. Tegen de regen of de zon of gewoon omdat ik dat wil.
Ik draag trendy broeken, foute leggings of lange blauwe rokken en een hoedje.
Mijn vrienden zijn mij lief en mijn familie is me dierbaar.
Ik heb een trommel vol met koekjes en iedereen mag nemen, op is op.
Ik ben hetero, homo, of van alles tegelijk. Solo, duo, of gruppo.
Blank, zwart, bruin, geel, rood of paars. Oud of jong, mooi of lelijk, dik of dun, aardig of niet. Af en toe ben ik gehandicapt of ziek. Blij en verdrietig. Fout en goed.
Ik hou van de stad met al zijn leven en het leven op het platteland. Ik hou van dieren en van kroketjes, van vrijheid en van schuttingen. Van vakanties aan het strand van Ameland en de kust van Alanya. Ik heb verstand van voetbal net als iedereen. Soms ben ik vergeetachtig en dan ben ik ...eh...
Het maakt mij juist zo leuk, dat ik zo veelkleurig ben, zo verrassend of voorspelbaar, en daar ben ik trots op.
Ik ben niets of ik ben alles, maar ik heb de vrijheid om te zijn wie ik wil:
ik ben een Nederlander.
geplaatst op 16 november 2007

- login of registreer om te reageren
Muzikaal
Muzikanten praten niet. Althans niet in een voor een buitenstaander begrijpbare taal. Er komen klanken uit hun mond waar ik als prille moeder weken op moet oefenen.
“Hmmm-takke-takke, Hmm-tak-tak”, maar in de verste verte is geen boom te zien.
Bij “Prrrrr-tziekie-tziekie-tziek” zou men zich een taal van een onontdekte Afrikaanse stam kunnen voorstellen, maar niets is minder waar: mijn man is een blonde Zwollenaar.
Geboren en getogen in het stijve calvinistische stadje zou niemand kunnen vermoeden dat er zo’n muzikale grootheid in hem schuilt.
Als er geen tonen te horen zijn is hij inderdaad niet van anderen te onderscheiden. Maar zo gauw ergens klanken voortgebracht worden komt zijn ware aard naar boven.
Als hij door de Diezerstraat loopt fluit hij onmiddellijk met het draaiorgel mee en precies op de maat laat hij een klinkende munt in het centebakje vallen.
Zet hem in een café en het glaswerk moet het ontgelden. Ritmisch tikt hij elke dreun mee met zijn aansteker tegen het bierglas. Als hij zich helemaal laat gaan bestelt hij een komplete toonladder aan glazen die hij dan eerst tot de gewenste toonhoogte leegdrinkt.
Tijdens zijn werk telefoneert hij het liefst met de helpdesks van automatiseringsbedrijven. Hij geniet dan intens van de muzikale wachtstanden waar hij langdurig ingezet wordt en met gesloten ogen dirigeert hij ondertussen de ingewikkeldste stukken van Mantovani of James Last.
Onlangs betrapte ik hem er zelfs op dat hij tijdens een crematie mee zat te roffelen op de maten van Mieke Telkamp.
Ik trek me meestal terug als ik in het gezelschap verkeer van meer dan één muzikant. Ze gaan dan zo in elkaar op dat ze me niet zullen missen. Ik kies een leuke film op de televisie maar zorg er wel voor dat het er één met ondertitels is want hun klanken kunnen elk ander geluid overstemmen. Bewegelijke ritmeboxen worden ze, met hun luchtgitaren en onzichtbare drumstellen.
Toch ben ik blij met het muzikale talent van mijn man. Als ik ‘s avonds naast hem lig en zacht een melodietje in zijn oor neurie weet hij bij mij precies de juiste snaar te raken.
geplaatst op 11 december 2007

- login of registreer om te reageren
Stemmen
In het winderige busstation stond ik de vertrektijden te bestuderen, toen een vrouw mij met een angstige blik vroeg: ‘Deze bus stopt toch in de Bokstraat?’ Het peper-en zoutkleurig haar zat verward om haar hoofd en haar beige wollen jas miste een paar knopen.
Ze zag eruit alsof ze ter plekke zou instorten, als de bus er geen halte zou aan doen. Gelukkig kon ik haar vertellen, dat het voertuig inderdaad ook in de Bokstraat stopte. Als ik dacht hiermee mijn burgerplicht vervuld te hebben had ik het mis. Weer vroeg ze met onzekere stem: ‘Deze bus stopt echt in de Bokstraat?’
‘Ja hoor,’ zei ik weer. De grote bruine ogen bleven op mij gericht.
Ik begon me een beetje ongemakkelijk te voelen en liep heen en weer, terwijl de vrouw me als een schaduw op de hielen zat.
‘Ik hoor altijd stemmen, weet je.’
Eerlijk gezegd wist ik het niet.
Terwijl ze vlak voor me kwam staan zei ze: ‘Ze willen dit hebben.’
Ze stak haar arm omhoog. Om haar pols zag ik een gouden armband.
‘Maar die krijgen ze niet, die is van míjn moeder geweest.’
Vastberaden draaide ze zich om. Ik dacht dat hiermee het gesprek beëindigd was. Weer had ik het mis.
Met een ruk draaide ze zich om en de plastic zak die ze in haar hand had bolde op door de wind.
‘Ik hoor die stemmen ook in de keukenkastjes en het toilet. Heb jij dat ook?’
Koortsachtig zocht ik naar een antwoord. Er zat niets anders op dan de waarheid te spreken.
‘Nee,’ zei ik, ‘dat heb ik niet.’
‘Dat komt nog wel,’ knikte ze me geruststellend toe.
Hier moest ik over nadenken. Veel tijd kreeg ik niet. ‘Ik trek me niets van die stemmen aan. Dat is het beste, hè?’
‘Ja, dat is het allerbeste!’
‘En mijn blaasontsteking is ook bijna over. Dat komt door de tabletten.’ Bij deze laatste woorden keek de vrouw me met een triomfantelijke blik aan. Tijd om mee te juichen kreeg ik niet.
‘Kijk, de bus,’ zei ze en verdween door de gapende deuren.
Toen ik de bus inliep, zag ik haar zitten in haar beige jas. De lege plastic zak tegen zich aangedrukt.
Ik twijfelde even of ik naast haar zou gaan zitten.
‘Doorlopen,’ fluisterde een stemmetje in mijn hoofd.

- login of registreer om te reageren
Denk na…
Ik ben geboren met een open rug en verplaats mezelf in een rolstoel. Er zit een sticker op geplakt waar 'I love 180 km/u' op staat. Dat is om voor mezelf de humor er in te houden, maar ook voor de mensen om mij heen. Ik heb liever dat ze om me lachen dan dat ze me gaan behandelen alsof ik niet goed bij m'n hoofd ben, maar dat laatste gebeurt helaas nogal regelmatig, terwijl het toch echt alleen m'n benen zijn die het niet doet. Met mijn hoofd is niks mis.
Het is vaak onwetendheid van de mens zonder handicap. Ze snappen het gewoon niet.
Ben ik samen met m'n moeder in de stad aan het shoppen en wil ik een broek gaan afrekenen. Ik leg zelf de broek op de toonbank neer vlak voor de neus van de cassière, ik geef haar bijvoorbeeld honderd euro en wat gebeurt er? Ze geeft het wisselgeld terug aan m'n moeder en vraagt: "Wil hij misschien een tasje erbij?" Ik denk 'Hallooo, ik zit hier!' Alsof ik dat zelf niet kan aanpakken en die vraag beantwoorden. Ik ben niet seniel!
Ook in winkels zelf staan de rekken met het assortiment vaak zo dicht op elkaar dat je je kont (in mijn geval m'n wielen) niet kan keren, terwijl je met een beetje logisch nadenken, wat ik dus wel gewoon kan, toch een heel eind komt.
Ik was eens in Miami. Je kan over de VS veel zeggen, maar de begaanbaarheid voor gehandicapten, 'disabled people' zoals 'we' daar genoemd worden, wat ik toch wel vriendelijker vind klinken, is in de VS dan wel goed geregeld. Daar staat in de eerste grondwet dat men niemand mag discrimineren, inclusief de 'disabled people.'
Elk bouwwerk, je kan het zo gek niet bedenken of het is wel toegankelijk met een rolstoel.
Ik kwam daar een rolstoel met een grote sticker erop tegen:
'Only stupid people think disabled people are stupid.'
En zo zouden de Nederlanders er ook over moeten denken.
De Pers: 7-9-´07

- login of registreer om te reageren
Tegenwind
Een jaar of vijfentwintig geleden deed ik, een kwart eeuw oud, mee met een georganiseerde fiets-kampeer vakantie. Twee weken fietsen door noord-oost Nederland. Tenten en kampeerspullen werden met auto's meegenomen naar elke volgende kampeerplaats, en voor iedere dag kregen we een routebeschrijving die ons over gemiddeld zo'n 70 km fietspaden en andere mooie wegen voerde. We waren jong, het weer was on-Hollands – zon, zon en nog eens zon! – en iedere dag voelden we ons fitter, fietsten we sneller en aten we meer. Vooral dat laatste was opmerkelijk. Ik herinner me dat we bij ontbijt, koffiepauze, lunch en theepauze telkens enkele boterhammen met jam aten. Zestien boterhammen per dag verorberde ik, terwijl ik er normaal niet meer dan vier of vijf op kon! En 's avonds natuurlijk nog een flink bord warm eten, waarvoor we zelf onderweg boodschappen moesten doen en dat we zelf moesten koken.
Op een dag, in Friesland, hadden we een harde tegenwind op een vlak en open stuk. Bij je maatjes blijven fietsen ging niet meer; ieder moest zijn eigen tempo vinden. Het 'peloton' werd daardoor al gauw een lang lint en de meesten kreunden en steunden. Maar ik had mijn dag. Op mijn stadsfiets zonder versnellingen reed ik zelfs jongens op toerfietsen voorbij. Al gauw was ik, samen met een ander meisje, José, op kop. Soms fietste zij voorop, soms ik. Het was of ik eindeloos zo zou kunnen doorgaan, of ik zweefde. Vermoeidheid kende ik niet meer. Het was een gevoel van puur geluk.
Toen José mij weer eens passeerde, zag ik in de blik die ze mij toewierp, dat zij hetzelfde voelde als ik.
Na ongeveer een uur kwamen we aan het eind van de lange, kronkelige weg. Daar stopten we om de anderen op te wachten. Toen de eersten pas na tien hele minuten kwamen aanzetten, keken José en ik elkaar grinnikend aan. Onze dag kon niet meer stuk.
Geplaatst woensdag 13-02-2008

- login of registreer om te reageren
Voetbal in de regen
Peter werkt in de horeca. Voor één uur ‘s nachts is hij zelden thuis. Vannacht was het half drie.
‘Fijn dat je er weer bent, schat,’ zeg ik slaperig. ‘Lekker gewerkt?’
‘Nee,’ bromt hij. ‘Het was zo’n avond waarop alles tegenzit.’
‘Slaap maar lekker uit,’ zeg ik. ‘Ik ga wel met de jongens mee.’
‘We zien wel,’ zegt hij terwijl hij onder het dekbed kruipt. ‘We zien wel.’
Om zeven uur springen twee jongetjes uitgelaten op bed.
‘Waar zijn mijn kicks, mam?’ roept de een.
‘Heb je mijn shirt gewassen,’ vraagt de ander. Manlief draait zich snurkend om. Onder het ontbijt praten ze over de komende wedstrijd.
‘Vorige keer hebben ze ons ingemaakt,’ zegt Bas.
‘Toen hadden we domme pech,’ zegt Jelle. ‘Maar als we vandaag winnen, hebben we nog kans op de beker.’
‘Komt papa ook,’vraagt Bas.
‘Nee,’ zeg ik, ‘hij was laat thuis vannacht.’ Jelle kijkt boos.
‘Jij hebt geen verstand van voetbal,’ zegt hij.
‘Geen een moeder,’ bromt Bas. We springen op de fiets. Het regent.
‘Daar worden het Hollandse jongens van,’ beweert de trainer altijd.
Doornat rennen ze even later over het veld. Zoals altijd spelen ze op een kluitje. Al na een paar minuten staan ze twee nul achter.
‘Naar voren , Jelle,’ hoor ik opeens. Peter komt aangehold. Alsof hij vleugels krijgt schiet Jelle vooruit. Meteen daarna krijgt hij de bal toegespeeld.
‘Op het doel af,’ roept Peter. Jelle dribbelt naar voren, staat stil en schiet hem erin.
‘Goal,’ klinkt het. Het hele team komt op Jelle afgerend.
‘Papa,’ roept Bas.
‘In je doel blijven Bas,’ roept Peter. De tegenpartij laat zich niet kennen. Bas wordt continu belaagd. Twee houdt hij ertegen, drie laat hij door.
De verliezertjes staan even later stilletjes aan de kant.
‘Niet kniezen,’ zegt Peter. ‘Volgende keer beter. Wie heeft er zin in een patatje?’ Peter zit wit van moeheid. Hij heeft zich nog niet geschoren. Maar wat doet het ertoe. De jongens huppelen naast hem de kantine in.
Wat een vader, denk ik. Daar kunnen ze een leven lang trots op zijn.
20 feb 2007

- login of registreer om te reageren
Tanden
Daar liep ik dan, met twee tanden in mijn hand. Ik hoor het de barman uit Breskensgraaf gisteravond nog zeggen: “Het wordt een zware nacht vannacht. Dat wordt morgen weer tanden rapen.”
En inderdaad, hij heeft gelijk gehad. Het was een zware nacht geworden en ik liep met tanden in mijn hand. Nu ik ze met het schrale morgenzonnetje nog eens bekijk, glimmen ze prachtig, puntje gaaf, echt schitterend. Eigenlijk is een tand toch een prachtig ding. Hij glimt, is bikkelhard en bijna onverwoestbaar zou je kunnen zeggen. Het is het enige stukje van het lichaam dat zo hard is en zo’n mooie glans heeft. Ik had er zelfs twee in mijn hand. Nog één en dan zou ik stoppen met zoeken. Omdat het zo voorspelbaar was, verbaasde ik mij er over dat ik de enige was die hier liep na zo’n nacht.
De vorige keer dat het er zo ruw aan toe ging, ongeveer een maand geleden, waren we met z'n drieën aan het zoeken, maar toen kwamen we er al snel achter dat het niet altijd meevalt om tanden te vinden. Toen vonden we er geen en nu staat de teller voor mij alleen al op twee. Ik heb horen zeggen dat de barman een volledig gebit bij elkaar heeft geraapt, maar in de horecawereld moet je alles met een korreltje zout nemen.
Het moet toch een mooi gezicht zijn: een volledig gebit. Maar ja, dan moet je eigenlijk een kaak hebben om ze in te zetten en die zal je niet snel vinden.
Oh, daar ligt mijn derde tand.
Het is mooi geweest voor vandaag.
Volgende keer dat het stormt, ga ik weer. Het is zo rustgevend dat haaientanden zoeken aan het strand. En dan te bedenken dat die tanden al een miljoen jaar oud zijn.
Deze column werd gepubliceerd in Dagblad De Pers op 10 juli 2007

- login of registreer om te reageren
DE CARNAVALIST
De tijd van carnaval is weer aangebroken. Speelgoedzaken springen hier handig op in. Na het rustige januari kunnen de meeste winkels wel weer wat extra omzet gebruiken. Een diversiteit aan bonte kleuren en combinaties komen je vanuit de etalage tegemoet. Rode, gele, en lila outfits hangen netjes op een rij. Kleurencombinaties waar menig couturier van zou gaan gillen. Het ergste is dat niet alleen speelgoedzaken een groot aanbod hebben, maar zelfs bekende warenhuizen wel extra brood zien in het fenomeen carnaval. Gelukkig maar. Het zou toch vervelend zijn als je je als volwassen man in een supermanpak maatje 164 zou moeten persen. Dus de extra large pruiken, clowns- en discobroeken, zorropakken en supergirltenues lonken naar het publiek. Het zijn dus niet alleen kinderen die worden aangetrokken door de kakofonie aan kleuren en vormen. Carnaval moet een feest zijn van en voor iedereen! Groot en klein, hoezee.
Doordeweeks een nette kantoorklerk, een fanatiek advocaat of een timide archiefmedewerker; met carnaval kunnen ze verantwoord losgaan. Verkleed met drank in de hand en al hossende op de vele carnavalskrakers. Het mag nu. Alles onder het mom van het grote feest dat carnaval heet. Ze zijn toch verkleed, herkennen doen ze elkaar niet. Nu begrijp ik ook waarom alle carnavalhits zo tenenkrommend simplistisch zijn: met drank op moet je het ook nog mee kunnen zingen. Als het maar rijmt en niet dicht.
Je woont niet in Hecht, maar in Krullendonk, niet in Son en Breugel, maar in Krutjesgat. Het gaat ver, heel ver. En dit alles onder het toeziend oog van prins carnaval met, als het meezit, een prinses, hofdames, adjudanten en een heuse nar in zijn kielzog! Al jaren actief in de plaatselijke carnavalsvereniging en nu dan eindelijk officieel gekozen. Uitgedost als een harlekijn kijkt de prins serieus in de cameralens wanneer hij gefotografeerd wordt voor het plaatselijke zeikertje. Het zal verdorie je vader zijn!
Laat het carnaval een kinderfeest zijn voor echte kinderen. En geen onverwerkt zielenzeer voor volwassenen: vroeger van je moeder nooit een tweetypak gemogen, nu in volle glorie in de optocht.
Ik denk dat ik de komende dagen op reis ga. Naar de zon. Strand en zee. Samen met mijn toeter op mijn waterscooter!
5-2-2008

- login of registreer om te reageren
't Is de bedoeling dat je hier je stukje plaatst CM, in plaats van een link.

- login of registreer om te reageren
(De oorspronkelijke titel was: Burqini zoekt zwembad)
geplaatst op 27-2-2008
Burqini
Prachtig gestroomlijnd, als een paarse dolfijn, duikt mevrouw B. in het helderblauwe water. Het heeft lang geduurd voordat haar bestelde zwempak was gearriveerd, maar eindelijk kan zij gaan genieten van het zwemmen met haar zoontje. Gewoon samen met iedereen.
De ademende stof is sneldrogend en in vele vrolijke kleuren verkrijgbaar. Zij heeft voor paars gekozen, met lila broekspijpen. Met de burqini nauwsluitend om haar lichaam voelt zij zich als een waternimf in de Bosporus. Haar zoontje spettert vrolijk rond met zijn oranje opblaasarmpjes en zij houdt hem aan twee vingers veilig in balans.
De directeur van het zwembad arriveert en begroet zijn vaste bezoekers in het voorbijgaan. ‘Goedemorgen Toos en Henk, fijn dat jullie er weer zijn.’
Op de rand van het zwembad zit Henk, een zwaarbehaarde rondborstige man, nukkig voor zich uit te kijken, zijn melkwitte kuiten hangen voor de helft in het blekende water.
‘Wat moet dat rare mens daar, in òns zwembad,’ gromt hij tegen de voluptueuze vrouw in haar miniscule bikini.
‘Ja, het is echt geen gezicht.’ De vrouw duwt een rolladetouwtje achter de juiste vetribbel en wendt zich tot de directeur: ‘Hoe kunt u zo’n mens hier toelaten?’
Met vaste tred loopt de directeur naar de rand van het bassin en hij sommeert mevrouw B. om onmiddellijk uit het water te komen.
‘U draagt geen normale badkleding, en dergelijke zaken worden hier niet getolereerd.
Haar zoontje schrikt en zijn warme traantjes vermengen zich met het chloorwater.
‘Maar waarom?’ vraagt mevrouw B.
‘U bent aanstootgevend mevrouw,’ zegt de directeur. ‘U moet zich aanpassen aan onze normen en waarden.’ Toos en Henk scharen zich in hun volle breedte
achter de directeur.
‘Zo is het,’ werpt Henk haar nog toe. ‘U bent anders. U hoort hier niet.’
Mevrouw B. druipt verdrietig af naar de kleedkamer.
‘Wat heeft u een prachtig zwempak aan mevrouw. Wat handig met zo’n aangehechte badmuts!’ Vanaf een houten bankje kijkt een jonge vrouw haar bewonderend aan. ‘Doet u soms aan wedstrijdzwemmen?’
‘Nee,’ antwoordt mevrouw B., ‘maar het is wel een strijd om ergens te mogen zwemmen.’

- login of registreer om te reageren
Spijbelen
‘Mam, wakker worden.’ Mijn zoon van veertien schudt aan mijn arm. Hij weet dat ik veel voor hem over heb, maar vroeg opstaan, hoort daar niet bij.
‘La me slapen,’ murmel ik en trek het dekbed over mijn hoofd.
‘Toe nou, dringt zoonlief aan, ‘Je moet een briefje voor me schrijven voor school.’
Steunend kom ik overeind. ‘Kan je dat zelf niet,’ mopper ik. ‘Na al die jaren onderwijs mag ik hopen dat je op z’n minst geleerd hebt om een paar fatsoenlijke zinnen op papier te zetten.’
Hij zucht. ‘Je weet dat ik vanmiddag een afspraak met de tandarts heb en mijn ouders moeten dan officieel mijn afwezigheid doorgeven.’
‘Wat een onzin,’ protesteer ik. ‘Je weet toch zeker zelf het beste of je je verslapen hebt, naar de dokter moet, of gaat spijbelen. Die docenten kunnen niet verwachten dat leerlingen zich volwassen gedragen wanneer ze jullie als kleuters blijven behandelen. Ik zou dat niet pikken, pertinent weigeren een briefje mee te nemen en eisen dat ze me op mijn woord geloofden.’
‘Maar dat mag niet,’ roept zoonlief verschrikt en begint een betoog over absentieformulieren, nablijven, strafwerk, leerplichtambtenaren en boetes. Hij drukt mij een pen in de hand en een blocnote onder de neus.
“Geachte leraar, “ schrijf ik, “Mijn zoon kon vandaag niet bij uw les aanwezig zijn omdat hij gespijbeld heeft. Hartelijke groeten, de moeder van…”
‘Mam, doe niet zo flauw! Je lijkt wel een puber. Schrijf nu maar gewoon dat briefje.’ Zijn gezicht spreekt boekdelen. Ik zwicht voor zoveel strengheid en produceer een keurig absentiebriefje. Hij grist het uit mijn handen en stopt het, voordat zijn kinderachtige moeder met nog meer rare fratsen op de proppen komt, snel in zijn boekentas.
‘Doei, mam.’
‘Weet je wat er mis is met de jeugd van tegenwoordig,’ roep ik hem na terwijl hij zich de deur uithaast, ‘jullie zijn veel te gezagsgetrouw.’
07-03-08

- login of registreer om te reageren
Collectant
Deze week is de collecteweek van het reumafonds. Naast mijn andere taken als wijkhoofd ga ik ook dit jaar langs met de bus. Een leuk klusje is het niet. Ieder jaar vraag ik me af waarvoor ik het eigenlijk doe. Mijn eerdere ervaringen komen vaak weer boven. Maart roert zijn staart, dus al vele malen heb ik de regen getrotseerd, of na het lopen mijn ondanks handschoenen verkleumde handen aan hete chocolademelk gewarmd.
Soms brandt in een huis licht of zie je de bewoners zelfs zitten, maar wordt er toch niet opengedaan als je aanbelt. Verleden jaar leek bij een huis niemand thuis te zijn. Toen ik langs het raam liep, keek net een vrouw naar buiten. Ik zwaaide met de bus, zij liep naar de voordeur en vertelde me, nadat ze de deur geopend had, dat ze niet geïnteresseerd was. Schudt dan gewoon met je hoofd, in plaats van mij weer dat stuk naar de deur te laten lopen! Ooit zei een vrouw die opendeed: ‘Het komt nu niet goed uit, we zijn net aan het eten.’ Ik dacht bij mezelf dat ze toch al bij de deur was en net zo goed geld kon pakken, maar maakte met haar een precieze afspraak wanneer ik opnieuw langs zou komen. Op het afgesproken tijdstip deed een man open: ‘Nee, wij geven niet aan het reumafonds.’ Mijn uitleg over de afspraak mocht niet baten. Zou je zo iemand niet...! Een andere keer zei iemand dat hij geen kleingeld had. Ik zei dat ik nogmaals zou kunnen komen, en deze persoon had toen wel geld geregeld.
Tja, de reacties op een collectant zijn nogal verschillend. Gelukkig levert het nog wel altijd geld op voor het goede doel. Dat is dan ook mijn terugkerende antwoord op de vraag die ik mezelf stel.
Waarom ik dit dan schrijf? Om een beetje begrip voor de collectant te vragen. Doe altijd open en zeg gewoon nee als je niets wilt geven. Laat een collectant nooit onnodig terugkomen. Mijn hartelijke dank!
10-03-2008

- login of registreer om te reageren
17 maart 2008: Verkeersbord
Midden in onze straat staat een verkeersbord met werk in uitvoering erop. Vastgemaakt in het asfalt ook al is het straatwerk allang af. Dat stomme plastic ding staat er al twee weken maar niemand doet er wat aan. Ja, mijn moeder belde vorige week het bedrijf op waar het bord van is, maar: "We sturen wel iemand langs." Ik zei dat ze daar toch niet voor komen maar ze luisterde niet. Dan niet.
Ik vertel het aan mijn vriend. We staan bij het raam van mijn kamer, hij heeft een plannetje. Leuk. Zeker nu hij vannacht blijft slapen.
Vuurwerk heeft hij nodig. Het liefst een honderdduizendklapper. En een lont. Die heb ik nog wel van vorig jaar. We wonen vlakbij België, dus meteen op de fiets naar een vuurwerkwinkel. We krijgen er twee mee. 's Avonds gaan we vroeg naar bed. Het wachten begint.
Pas wanneer vriend vindt dat mijn moeder lang genoeg op haar kamer is gaan we naar buiten. Brrr, koud. De auto's zijn wit bevroren. Vriend legt de klappers om het verkeersbord. Lont eraan en aansteken, dan gaan we weer naar binnen. Ik kijk door het raam van mijn kamer, wacht tot het begint maar schrik dan toch nog van het keiharde geknal. Mooi fel licht. Iedereen in de straat wordt vast wakker. Kijk, daar gaat al een lampje aan. Na twee minuten stopt het geknal maar dan is er van het verkeersbord ook niet veel meer over. Op de auto van de buren er recht naast is het ijs weg. Nee hè, we hebben al ruzie met ze.
Vriend wijst naar het raampje boven mijn deur. Het licht brandt niet, maar mijn moeder is ook half doof. Ik lach zacht en ga liggen. Vriend ook. En we proberen te slapen.
De volgende dag wordt het verkeersbord opgeruimd, door dezelfde lui die hem in het asfalt hebben gezet. Moeder ziet het wanneer het bord al in de wagen ligt. "Zie je wel dat ze iemand langs sturen?" zegt ze. "Ze houden altijd woord." Ik kijk vriend aan en denk: Ach, laat haar maar in die waan.

- login of registreer om te reageren
Welterusten (De Pers 11 april 2008)
Het papier op de smalle onderzoekstafel kraakt onder mijn gewicht. De arts prikt de naaldjes op de juiste plekken in mijn lichaam. “Welterusten,” wenst ze met een lieve glimlach. Dan is het stil, heel stil en ik doezel een beetje weg. De naaldjes doen hun werk het beste als je je goed ontspant. Dus dat doe ik, want wat wil ik graag van dat vervelende eczeem af. Ineens schiet me die reclame te binnen. Een man ligt vol geprikt met acupunctuurnaaldjes op eenzelfde bedje. Dan breekt er brand uit. En probeer maar eens te lopen, als al je zenuwen zijn lamgelegd. Ik kan zelfs niet fatsoenlijk aan mijn neus krabben. Weer sluit ik mijn ogen, maar niet voordat ik een vluchtplan heb uitgedacht. Behandelkamer uit, door de spreekkamer, wachtkamer naar de achterdeur. Daar zal het even dringen worden, maar dan zijn we ook al bijna buiten…
Ik ontspan. Niet lang, want in het kamertje naast me komt een patiënt binnen met haar slechthorende echtgenoot. Iedere vraag of opmerking moet ze drie keer herhalen en de volumeknop gaat steeds verder open. Zo kom ik te weten dat ze nog naar de kapper moet en dat de vriendinnen koffie komen drinken. “Wat denk je nu?” vraagt ze ineens aan haar man. In gedachte zie ik hem zitten. Op het ongemakkelijk blauwe klapstoeltje in de hoek van de kleine behandelkamer. Zijn hand in de denkstand onder zijn kin en zijn ogen gesloten. Vrouwlief moet tenslotte ontspannen en dan kun je maar beter meedoen. Weer doorklieft haar stem de stilte. “Wat denk je nu?” De man mompelt iets onverstaanbaars en daar is zijn wederhelft niet tevreden mee. Aan de andere kant van het dunne wandje ontstaat een felle discussie. Op het moment dat ik verwacht dat de twee elkaar in de haren vliegen, komt de arts mijn behandelkamer binnen. “Lekker geslapen?” vraagt ze vriendelijk. “Heerlijk,” antwoord ik. Ogenschijnlijk ontgaat haar het sarcasme.
Thuis wacht mijn man op me met een kopje thee. Terwijl ik een slok van het goudgele vocht neem, vraagt hij opeens: “Zal ik volgende keer eens met je mee gaan?” “Nee,” proest ik de thee uit over de tafel, “doe maar niet.”

- login of registreer om te reageren
A28
‘Rechterspiegel, linkerspiegel, schouder’ zegt een stem in mijn hoofd, maar ik reageer niet. De wind op de invoegstrook van de A28 bij Zwolle is zo krachtig, dat ongetwijfeld mijn hoofd van mijn romp zou waaien, als ik het naar links zou draaien. Ik blijf dus stoïcijns voor mij uitkijken en vertrouw erop dat mijn motorleraar me dekt en zo beschermt tegen het achteropkomende verkeer. Aangekomen op de rechter rijstrook buig ik mijn hoofd wat naar voren. De wind, die is aangewakkerd tot orkaankracht, rukt waarschijnlijk zo meteen mijn hoofd van mijn lijf. Ik zou het vizier moeten sluiten, maar ik doe niets om te voorkomen dat ook mijn arm van mijn romp wordt gescheiden.
“Je mag hier 100 km/uur, dus even doortrekken.”, zegt mijn leraar in mijn linkeroor. Ik zie dat ik amper 90 km/uur haal, maar nog harder gaan rijden, voelt aan als een kamikazeactie. Links word ik ingehaald door een vrachtwagen vol met varkens. Even later zie ik het verkeersbord, dat einde 100 km/uur aanduidt. Het dringt langzaam tot me door dat ik nog veel harder moet. “En nu doortrekken naar 120 km/uur.” Met de moed der wanhoop geef ik nog een beetje extra gas. Mijn snelheidsmeter geeft nu 110 km/uur aan. Vijf collega-motorrijders op buikschuivers halen mij in. Ze groeten mij door losjes hun hand naar mij op te steken, om vervolgens in een fractie van een seconde uit het zicht te verdwijnen. Natuurlijk groet ik niet terug. Ik zou de macht over het stuur verliezen en meteen tegen de vangrail aankwakken. Na nog een paar oneindig lang durende minuten klinkt dan eindelijk het bevrijdende bericht in mijn oor: “Bij afslag Wezep verlaten wij de snelweg.”
Op een rustig landweggetje terug naar Zwolle merk ik tot mijn geruststelling, dat mijn helm, mijn hoofd en mijn beide armen nog allemaal op hun plaats zitten. Dan rijden we nog een stukje over een woonerf. Hier mag ik 30 km/uur rijden en ik haal opgelucht adem. Soepel neem ik de bochten, eerst naar links, dan naar rechts. Mogelijk nog soepeler word ik links ingehaald door een brommer.
2-4-2007

- login of registreer om te reageren
HET DORP
Ik woonde vroeger in zo'n dorpje waar iedereen elkaar kent. En als je mekaar niet kende, dan wist je toch via via wie wie was. 'Dat was de broer van die jongen waarmee Marcel nog in de klas heeft gezeten. Of het was de schoonzus van die collega van vader.' Als kind zat ik er altijd vol verbazing naar te luisteren. De grote mensen kenden het hele dorp, terwijl ik alleen vertrouwd was met de kinderen van de buren, waarmee ik in de tuin speelde, door 'de draad'. Elk zijn eigen territorium, maar toch gezellig bij elkaar. En speelgoed dat groter was dan de gaten in de afrastering, kon niet gedeeld worden, tenzij we allebei akkoord waren om vooraan op het trottoir te gaan spelen. Er waren nog niet zo heel veel auto's, dus wij mochten nog op straat spelen.
Dat zullen mijn kinderen allemaal moeten missen. Ik woon nu in een grote stad en daar gaat het wel even anders toe. Op straat spelen doen alleen de Turkse en de Marokkaanse kinderen. Ik benijd hen, want zij wonen in buurten waar het blijkbaar wel nog kan. De grote tuin waar ik naar hartelust kon ravotten, zullen mijn kinderen ook niet hebben. Ze zullen het met ons zakdoektuintje moeten doen, of met het park. De stad is drukker, wilder, gevaarlijker. Het zullen andere kinderen zijn. Misschien zullen ze minder bang zijn.
Toen ik op mijn twaalfde naar de stad moest, weg van mijn dorp, omdat er daar geen grote school was, vond ik dat vreselijk. De stadskinderen waren hipper, ze hadden een grotere mond en ze joegen me schrik aan en net als honden roken ze dat. Het pesten heeft niet lang geduurd, uiteindelijk vond ik toch vrienden, maar de schade was al aangericht. Ik wilde er per se ook bijhoren. Cool zijn, een stadskind. Dat laatste ben ik nooit geworden, maar na veel geworstel, wel een stadsvolwassene met een klein dorpshartje. En met kinderen die zelfs de kinderen van de buren niet kennen.
Isabelle Disylla / Dar a luz

Lid sinds: 2007-10-26