Kung Fu Panda
Film van de week: Kung Fu Panda
De dagen dat tekenfilms alleen voor kinderen waren, liggen ver achter ons. Net als de graphic novel heeft ook de tekenfilm-voor-volwassen allang zijn sporen verdient, van Fritz The Cat tot Spirited Away. Het knapst zijn de films die de leeftijdsgrenzen wegvagen: van Disney’s Fantasia tot Little Nemo. Schuddebuikend zitten vader en moeder naast kind en opa. Verhalenvertellers op dit niveau zijn de homerussen van onze tijd.
In deze laatste categorie kwam onlangs Kung Fu Panda uit. Weer een tekenfilm met dieren in de hoofdrol, nu – en niet zonder reden – de Chinese variant ervan, met slangen, krekels, tijgers en schildpadden. En een panda. Po heet-ie, en z’n vader – merkwaardig genoeg een vogel – heeft een noedelrestaurant die hij later graag aan Po zou willen overdoen. Maar Po wil iets anders. Kung Fu. Wat lastig is, als je tonnetje rond bent en je je voortdurend verslaapt. Maar: de wonderen zijn de wereld nog niet uit. Ook als je een kogelronde Panda bent.
Natuurlijk is de boodschap weer: "geloof in jezelf" en "durf in wonderen te geloven" en natuurlijk volgt Kung Fu Panda de bekende Hollywood-vijftrapsstructuur (vijf keer wordt het personage op de proef gesteld, voordat hij zijn doel bereikt). Maar het blijft een knappe film. Vooral door de personages. Als je wilt weten wat goede personages zijn, hoe je karaktereigenschappen en uiterlijkheden op elkaar afstemt, en hoe de verschillende bijfiguren in balans moeten raken, kijk dan met een technisch oog naar Kung Fu Panda, en je leert in anderhalf uur veel. Heel veel.

